Carpe diem

Carpe diem

donderdag 27 november 2014

Racisme

Ik ben er eigenlijk wel een beetje klaar mee. Met racisme welteverstaan.  Mijn voormalige klantjes bij het Arbeidsbureau, half donker Afrika, tegenstanders van Zwarte Piet, Amaatjes uit Afghanistan en nu weer Erdogan inclusief de rest van zijn Turkse regering maken mij zonder blikken of blozen  uit voor racist zonder dat ik daar overigens ooit aanleiding toe heb gegeven.


Voor de goede orde zal ik eerst even de omschrijving van racisme geven zoals die in de online Dikke van Dale is opgenomen:
1: theorie die de superioriteit van een bep. ras verkondigt
2; discriminatie op grond van iemands ras
 En om superioriteit en discriminatie ten opzichte van een ras te kunnen toepassen moet je eerst weten wat een ras is.

Ras; groep van individuen, van een andere groep onderscheiden door een aantal erfelijke en lichamelijke overeenkomsten.

Ik heb gezocht en gezocht en gezocht maar op het hele wereldwijde web heb ik nergens kunnen vinden dat Zwarte Piet een ras is. En ook Turken, Afghanen en vluchtelingen zijn geen rassoort. Donker Afrika zouden we kunnen indelen in het negroide ras maar dat gaat niet helemaal op want Noord Afrika en de Hoorn van Afrika hoort bij het Kaukasische ras. 
De Duitse filosoof Christoph Meiners was de eerste die het menselijk ras onderscheidde in vier verschillende rastypen door middel van de schedelleer (en dus niet door de huidskleur dat zich slechts heeft gemanifesteerd door de hoeveelheid zonlicht die de voorvaderen moesten weerstaan):
  1. het Kaukasisch ras
  2. het Negroide ras
  3. het Mongolide ras
  4. onzekeren (Davidiërs en Singalezen)
In de loop van de tijd zijn er vele nieuwe rasindelingen bedacht maar nog altijd is Zwarte Piet niet als apart ras erkend.  En daarmee heb ik dus de discussie of Zwarte Piet nu wel of geen slachtoffer van racisme om zeep geholpen want superioriteit en discriminatie ten opzichte van het ras Zwarte Piet bestaat niet.

De stelling dat Zwarte Piet de slaaf van Sinterklaas zou zijn gaat ook al niet op. Want om met 'hoogbegaafde' Britt Dekker te spreken:"Drie weken kadootjes uitdelen op kosten van een ander en de rest van het jaar met je blote gat aan de stranden van Madrid liggen, daar doet een beetje slaaf een moord voor".

Het woordje 'knecht' mogen we ook al niet meer gebruiken want dat zou duiden op een baas - dienaar relatie en tegenwoordig is vrijwel alles gestoeld op gelijkheid (behalve in Turkije want daar heeft Erdogan deze week nog verklaard dat vrouwen minderwaardig zijn ten opzichte van de man; leuk, die slepen we de EU binnen).

Donkergekleurde kinderen lopen een trauma op omdat ze eind november uitgescholden worden voor Zwarte Piet. Welkom in de grote, boze wereld zou ik zeggen. Ik ben uitgescholden voor Eucalipta, kaaskop, Eifeltoren en niet te vergeten racist en dat is niet leuk maar ik hoef er nu ook weer niet voor naar de psycholoog. En wil je niet worden uitgescholden voor Zwarte Piet dan moet je dát probleem aanpakken.

Tot slot wil ik nog even laten zien hoe veranderingsgezind onze gekleurde medemens is en verander het woordje Kwakufestival door Zwarte Piet.

Ik stel voor dat we het woord racisme vervangen door een nieuw woord in de Dikke van Dale. Wat dachten jullie van dagobertducktaks, kledingbibliotheek, kamikazecoalitie of wegkijkstaat?


https://www.youtube.com/watch?v=f9R-p61giVg




zondag 23 november 2014

Lek




En daar gaan we weer. Helemaal van vooraf aan beginnen. Ik ben nu een paar weken uit de running en het stilzitten meer dan zat. Ik tril als een rietje maar mag geen bètablokkers gebruiken als ik ga rennen omdat het de hartslag bewust laag houdt. Dat gaat mijn hart –en de rest van mijn lichaam trouwens ook – niet leuk vinden want het is een uitdaging om spieren van zuurstof te voorzien als je niet sneller mag kloppen. En dat is nu net waar mijn hart momenteel erg goed in is; lekker snel kloppen met een onverwacht overslagje nu en dan. Maar liggen in een ziekenhuisbed gevolgd door een week bankhangen maakt de spieren lui en dus besluit ik alle adviezen van vrienden en bekenden, die ongetwijfeld het beste met mij voor hebben, in de wind te slaan en het sporttenue maar weer uit de mottenballen te trekken.

De dag voor ik werd opgenomen, had ik al problemen met het uithoudingsvermogen en moest ik na zeven kilometer opgeven en ik ben een beetje bang dat dat gevoel van totale mislukking onmiddellijk weer boven komt drijven als ik er de pas in zet. Ik besluit om het tempo van les één aan te houden waarbij je meer wandelt dan loopt en begin dan ook met twee minuten wandelen. Dat gaat goed.
Mijn arts heeft me aangeraden om mijn hartslag niet boven de honderdveertig te laten oplopen dus is mijn hartslagmeter de komende tijd even mijn beste vriend (of misschien wel vijand).  Na dertig seconden heb ik genoeg van dat wandelen en ga ik over in looppas. Wandelen doe ik wel weer als ik oud en versleten ben. En trouwens, dertig seconden is bijna even lang als twee minuten. Maar ik ben koud de hoek om of mijn hartslag gaat er als een  razende vandoor en stoppen bij honderdveertig is niet eens mogelijk omdat het ding van honderdtien naar honderdvijfenvijftig schiet. Ik zal een utgebreide beschrijving van deze teleurstellende training achterwege laten maar een totale mislukking is een understatement.

Bij terugkomst twijfel ik tussen de combinatie bijltje en neergooien of pijp en Maarten. Bovendien heeft mijn overproducerende schildklier ervoor gezorgd dat ik in een week tijd vijf kilo ben afgevallen dus mijn streefgewicht komt heel aardig in de buurt. Voor een gezond BMI hoef ik nog maar twee kilo af te vallen en dat lukt ook wel zonder al die loopjes.  De inhoud van mijn kledingkast is vervangen door leuke, sportieve kleding in maat 42 wat een prima maat is voor een vrouw van één meter zevenentachtig. 
Lopen hoeft niet meer, ik ben klaar. Geen schuldgevoel meer als ik een keer besluit om niet te lopen. Geen eeuwige strijd met mezelf om mijn sportkleding aan te trekken en de kou in te gaan. Geen gemopper meer als ik weer eens slechter heb gelopen dan de vorige keer. Niet voortdurend de was laten draaien zodat ik schone sportkleren heb als ik weer in de benen moet. Niet bang zijn dat mijn hart, mijn longen, mijn vaatstelsel, mijn spieren, mijn achillespees of welk ander onderdeel dan ook besluit op te geven als ik halverwege ben. Geen hinderlijke vliegen die om me heen zoemen als ik drijfnat doordraaf. Niet geïrriteerd met mijn sporthorloge lopen zwaaien in de hoop dat deze binnen afzienbare tijd een satelliet weet te vinden zodat ik mijn prestaties kan bekijken na afloop.
Twee dagen later gaan de schoenen weer aan. Want stoppen met lopen, daar moet ik dus echt niet aan denken.

Toch is sporten is niet echt mijn ding. Had ik keuze dan was dan was mijn favoriete hobby fauteuilsurfen afgewisseld met hangmathangen voor gevorderden onder het genot van een goed glas wijn en een schaal Japanse nootjes. Een lekker tijdschrift en de afstandbediening van de tv voor handen en ik kom de dag wel comfortabel door. Maar mijn verbranding is al niet zo hoog en met mijn favoriete hobby zal ik op den duur dan ook gewoon dichtgroeien. Dus in de categorie ‘meer bewegen’ heb ik ervoor gekozen om toch maar weer in de benen te gaan, ondanks alle kwalen die ik iniddels op mijn CV  heb staan. Tot nu toe zijn mijn ervaringen nog (steeds) niet overweldigend en dat komt met name omdat ik tot de conclusie ben gekomen dat ik veel te veel openingen in mijn lichaam heb. En die openingen laten allerlei vloeistoffen naar buiten op momenten dat het mij niet zo goed uitkomt. Ik lek.


Allereerst heb ik een hele voorraad zweetklieren binnengesleept toen ik nog in aanbouw was en de grootste verzameling is te vinden op mijn hoofd. Er is erg weinig voor nodig om die kabbelende beekjes om te toveren in woeste rivieren. Een presentatie voor een man of vijf, een sollicitatiegesprek of het vouwen van wat servetten kan ertoe leiden dat binnen een mum van tijd de straaltjes van mijn hoofd aflopen en charmant mijn decolleté in druipen. Mijn gesprekspartners maken zich vaak flinke zorgen aangezien een hartaanval dan wel hersenbloeding vaak begint met zweten maar meestal weet ik hen op tijd gerust te stellen. Niets aan de hand, de sluizen op mijn hoofd staan slechts open.
Lichamelijke activiteiten zoals stofzuigen, strijken of ramen zemen zet de rest van het zweetstelsel in gang. Dus zodra ik één voet buiten de deur zet voor een rondje Krigslida, zweet ik zelfs op mijn kuiten en op de buitenkant van mijn ellebogen en na een half uurtje joggen zou ik half Afrika kunnen voorzien van gevulde waterputten.

Ongeacht welke kant ik oploop, ik heb altijd wind tegen. En die wind waait in mijn ogen waardoor mijn ogen gaan tranen. In eerste instantie weet ik dat via allerlei ingewikkelde kanaaltjes nog wel af te voeren maar na verloop van tijd lopen mijn ogen over en zie ik niets meer. Rennen met een witte stok of een eigenwijze labrador die mij de weg zou moeten wijzen is onhandig en dus hol ik halfblind door. Tranen biggelen over mijn wangen en vermengen zich met het snot dat ik ook niet meer opgesnoven krijg en uit andere gaten naar buiten sijpelt.
Intussen produceert mijn keel op vol vermogen slijm om mijn luchtpijp te bevochtigen. Maar ook dat blijkt weer niet in verhouding te zijn met wat mijn luchtpijp nodig heeft en kwat ik links en rechts om me heen om van die liters speeksel af te komen waarbij ik ook nog eens moet opletten dat ik niet per ongeluk een onschuldig passerende fietser in het gezicht spuug.

Meestal denk ik eraan om naar de wc te gaan voor ik me ga omkleden maar tegen de tijd dat ik bij lantaarnpaal drie ben is mijn blaas al weer redelijk gevuld en moet ik niet alleen mijn kuit- maar ook mijn sluitspieren flink aan de gang zetten om de boel droog te houden. Daarbij is het aanpassingsvermogen van mijn darmen nihil en hebben ze geen benul dat ontlasten tijdens een sprintje vaak niet goed uitkomt. Tel daarbij op de gassen die daarbij geproduceerd worden en je zult begrijpen dat ik vaak een spoor van ellende achter me aan trek.

De enige gaten waar ik tijdens mijn loopjes echt geen last van heb zijn mijn oren. Het gedreun van mijn eigen voetstappen in het ritme van muziek van Gerard en Jan gaan erin maar er komt niets uit. Geen druppel.

Ik gebruik allerlei handige attributen om de schade te beperken. Ik heb een zweetband om mijn hoofd en een reserveband in mijn jaszak, mijn t-shirt maakt overuren en mijn jas is luchtdoorlatend zodat de boel kan verdampen, bergen zakdoekjes gaan de strijd aan met de ellende op mijn hoofd en mijn renbroek is zwart dus die kan – mocht het zover komen – de chaos aardig verdoezelen. En als ik thuiskom wacht de douche geduldig op me om de zaak weer in oude glorie te herstellen zonder dat anderen daar last van me hebben. Want reken maar dat ik ruik na zo’n rondje  lekken.

Gisteren heb ik meegedaan aan de tunnelrun, een loopje van 10 kilometer met 34 000 anderen door een volgende week te openen tunnel in Stockholm. Ik vermoed dat de opening moet worden uitgesteld. De tunnel staat onder water. Sorry!!!! 

zondag 19 oktober 2014

Je zal het maar hebben



Ik had eigenlijk een blogje willen besteden aan het onbeschrijfelijk smerige eten waar Zweden dol op schijnen te zijn. En ook zou ik me dolgraag willen mengen in de Zwarte Pietendiscussie want daar heb ik natuurlijk ook een uitgesproken mening over maar alles moet even wachten want ik sta weer op een zijspoor. Onvrijwillig, dat wel.

Donderdag was ik lekker bezig met het uitdelen van ziekteuitkeringen en het lezen van allerlei enge ziektes en symptomen in werktijd toen het me opviel dat mijn bril toch wel erg smerig was en dan met name het rechterglas. Ik had een telefoonnummer opgezocht op internet maar de helft van de nummers was weggevallen. Lastig als je iemand moet bellen en de laatste vijf cijfers moet gokken.
Ook de tekst op mijn papier was onleesbaar en toen bleek dat het niet aan mijn bril lag, besloot ik een afspraak te maken met de huisarts om te laten controleren of de bad fifties nu echt hadden toegeslagen.
Maar toen ik de receptioniste had uitgelegd wat het probleem was kon ik geen afspraak maken met mijn huisarts, ik moest onmiddellijk 112 bellen.
Van mezelf ben ik redelijk nuchter maar van die boodschap schrok ik toch een beetje. Mijn collega’s namen de regie over, de één belde met 112 en de ander probeerde mij ervan te overtuigen dat er echt even een ambulance moest komen.
De ambulance kwam al na een minuut of zeven met zwaailicht en sirene wat overigens nergens op sloeg want ik zat rustig op een stoel, was niet van plan ervandoor te gaan en doodbloeden deed ik ook al niet.
Er werden wat testjes gedaan die ik, objectief bekeken, prima uitvoerde maar toch vonden de ambulancebroeders het beter dat ik even meeging. Ik vond het sneu als ik zou weigeren want dan komt zo’n auto toch voor niets dus ik ben meegewandeld naar beneden en gingen we plotseling in noodvaart met gillende sirenes naar het ziekenhuis. Nergens voor nodig natuurlijk maar ik vond het wel een ervaring al rolde ik bij de eerste rotonde wel bijna van mijn brancard. Loop je zomaar een hersenschudding op als je met je knar op de grond valt terwijl je helemaal gezond die ziekenwagen bent ingeschoven.

In het ziekenhuis werden er weer testen gedaan en daarna werd een MRI van mijn bovenkamer gemaakt. Sommigen van mijn lezers weten het inmiddels al maar daar kreeg ik het heugelijke nieuws te horen dat ik werkelijk een functionerende herseninhoud heb. Geen zaagsel daarboven maar een grijze massa gevuld met allerlei wetenswaardigheden. Superhandig!

Minder prettig nieuws was dat ze een scheurtje van ongeveer een centimeter in de binnenwand van mijn halsslagader hebben gevonden. Een halsslagader is een tamelijk cruciaal onderdeel van het menselijk lichaam en als die kapot gaat, dan is het beoordelen van ziekteuitkeringen eigenlijk niet meer te doen. Gelukkig was mijn lichaam inmiddels al weer begonnen met het herstellen van dat wondje dat waarschijnlijk een paar dagen geleden is ontstaan. Een deel van dat korstje van die wond is in mijn bloedbaan terecht gekomen en meegelift naar het onderdeel ‘kijken’. Daar is het blijven steken en toen deed mijn rechterkant van mijn zicht het niet meer.
Bloedverdunners hebben dat propje in de bovenkamer weer opgelost en ’s avonds om zes uur deden mijn ogen het weer.

Nu rijst natuurlijk de vraag waarom een mens zo’n scheurtje in een elementair lichaamsdeel krijgt.
Aan de voorwaarden ongezonde levensstijl voldoe ik niet. Ik rook niet, ik drink niet noemenswaardig en ik beweeg voldoende. Suiker en frisdrank lust ik niet en snackbars zijn er niet in Zweden. Ik loop 10 kilometer in vierenzestig minuten.
Aan de voorwaarde oud en grijs voldoe ik ook niet. Aderverkalking kan ertoe bijdragen maar daar ben ik dus te jong voor. (fijn om op je vijftigste  ook eens ergens te jong voor te zijn).
Hoge bloeddruk heb ik ook nooit gehad dus die optie valt ook af.
Dan blijven er twee mogelijkheden over: het syndroom van Marfan en we weten het gewoon niet (ook wel stomme pech genoemd).

Het syndroom van Marfan is uiterst zeldzaam, slechts 900 mensen in Zweden hebben het en de neuroloog had in haar dertigjarige praktijk nog nooit een Marfanpatiënt gehad. Oh, wat een mazzeltje voor haar om mij nu zomaar te mogen ontmoeten.

Het syndroom van Marfan is een aandoening aan het bindweefsel en is dominant overerfbaar wat wil zeggen dat je het hebt of niet. Je bent geen drager.
De belangrijkste symptomen:
-          aneurisma in belangrijke slagaders zoals bijvoorbeeld de aorta of de halsslagader
-          vrouwen zijn meestal langer dan 1.80, mannen langer dan 1.90
-          loslaten van de ooglens
-          lange vingers en tenen
-          scoliose in de rug
-          smalle kaak ( de meeste kinderen met Marfan krijgen een beugel)
-          gaatje in het longvlies

Ikzelf en een aantal van mijn familieleden hebben één of meerdere symptomen wat de kans groot maakt dat we allemaal dezelfde chromosoomafwijking hebben. Het kan worden aangetoond door bloedonderzoek en dat zal dan ook wel gebeuren binnenkort.

Er is geen genezing maar de ziekte is ook niet levensbedreigend als je je regelmatig laat controleren.
De bloeddruk moet laag blijven en mag ook geen pieken vertonen tijdens bijvoorbeeld sportwedstrijden omdat druk op de vaatwanden moet worden voorkomen.

Het is niet zeker dat ik de ziekte heb maar de kans is groot. Ik mag niet meer hardlopen of bijvoorbeeld een trap oprennen.Sportschoenen gaan dus aan de wilgen. Ik ga op biljarten denk ik. Of bingo. Ik weet het nog niet. Er is zoveel keuze.
En ik mag me ook niet meer ergens over opwinden. En daarmee is mijn doodvonnis getekend. Ik wind me namelijk over alles op, terecht.
Zoals bijvoorbeeld over de uitslag van mijn schildklier. Want ook die ziekte is weer terug. Daar krijg ik een radioactieve behandeling voor binnenkort.

De volgende keer een blogje over het hebben van een ingegroeide teennagel. Want dat lijkt me ook echt niet leuk.


 



maandag 6 oktober 2014

Op de hoogte


Mijn echtgenoot en sleetjes, het blijft een moeizame relatie.

Op één van onze eerste reizen met onze camper naar Scandinavië, een kleine honderd jaar geleden,  bezochten we een avonturenpark met een rodelbaan. Aangezien onze kinderen destijds net de luiers ontgroeid waren, werden er nog geen hoge eisen aan pretparken gesteld en was hoog, snel en gevaarlijk nog niet de norm. Gillend van pret zat ons grut in draaimolens waar we zelf met onze knieën in de nek in veel te kleine brandweerwagens naast gepropt zaten waarbij we onszelf de hele rit angstig afvroegen hoe we daar ooit weer uitkwamen.

Op dat park was dus een rodelbaan waar kinderen met een sleetje van een berg mochten ‘afsuizen’. De baan was geschikt voor kinderen vanaf zeven jaar en Robin en Quinta mochten ieder in een eigen sleetje. Savannah had de rodelbaanleeftijd nog niet bereikt en ging dus samen met mij roetsjend naar beneden. Richard zou het gezelschap afsluiten om eventueel onderweg verloren kinderen op te rapen. Dat zou zo’n vaart niet lopen aangezien de baan zoveel bochten had dat er nauwelijks snelheid gemaakt zou kunnen worden.

De kinderen rodelden als volleerde rodelisten de berg af en met de camera in de aanslag wachtten we ongeduldig op Richard die als laatste naar beneden zou komen. Maar al wie er kwam, geen papa.

Toen er na vijf minuten nog steeds geen sleetje in aantocht was begon ik toch enigszins ongerust te worden. Stond de rodelpolitie langs de baan voor een onaangekondigde alcoholcontrole? Was hij gesnapt bij het sleeën door rood licht? Of was hij zijn sleuteltje kwijt en kreeg hij het sleetje niet gestart? Uiteindelijk verscheen er dan toch een sleetje bovenaan de berg maar al snel kreeg ik in de gaten dat dat mijn overmoedige echtgenoot niet was aangezien de bestuurder hooguit een jaar of negen was en een schattige Mini Mouse-trui aanhad.  We bleven naar boven turen – filmen was geen optie meer aangezien de batterij inmiddels leeg was – en uiteindelijk kreeg Robin zijn vader in het vizier. Hij liep naast de baan met het sleetje achter zich aan slepend. Dat kon toch niet waar zijn? Eenmaal beneden vertelde hij gedesillusioneerd dat hij reeds bij de eerste bocht uit de baan was gevlogen. Hij had nog wel geprobeerd om het ding weer op de baan te krijgen maar zodra zijn sleetje grip kreeg, gleed ie ervandoor zonder dat zijn berijder de kans kreeg om zich rustig te zetelen. Aangezien de rij wachtenden bij de start snel toenam besloot hij dan maar met zijn opponent naar beneden te wandelen.

De tweede keer op de rodelbaan was ook al geen onverdeeld succes. Dit keer ging hij als eerste om ons de kans te geven hem de helpende hand te reiken mocht het weer zo dramatisch fout gaan. Maar hij was inmiddels zo getraumatiseerd dat hij, nog voor hij goed en wel vaart had, met zijn volle gewicht aan de rem ging hangen waardoor hij geen snelheid meer had om door de bocht te komen.  Goddank was iedereen uiteindelijk voor het donker werd beneden.

Voor Richard was het na deze twee fiasco’s een uitgemaakte zaak, rodelen was niet zijn ding en wij kregen hem dan ook met geen tien paarden meer op zo’n sleetje. Tot afgelopen zaterdag.

Om de saaie kantoorsleur te onderbreken ging ik dit weekend met wat collega’s naar een klim-klauter en hoogtebaan en eventuele echtgenoten en nageslacht waren van harte welkom om mee te komen. Op een hoogtebaan kun je op verschillende niveau’s kletteren en klauteren over touwen en obstakels om uiteindelijk volledig bezweet en met de bibbers in de benen weer beneden te komen. Om te voorkomen dat er doden of ernstig gewonden vallen - want vallen doe je beslist als je je niet goed vasthoudt  - ben je gezekerd met een tuig aan een kabel.  Het maakt het allemaal niet minder spannend want je wil gewoon geen zeven meter boven de grond bungelen als je van zo’n touw af kukelt. Zelf heb ik wat minder ontwikkelde armspieren dus als ik eenmaal bungel dan zal er een hoogwerker moeten komen om mij uit mijn benarde positie te bevrijden want ik klim zeker niet als een aapje terug die boom in. Belangrijk detail: als je eenmaal aan een parcours begonnen bent is het vrijwel onmogelijk om terug te gaan als je bij een gedeelte komt waarvan je denkt dat je dat niet gaat overleven. Dus bekijk het hele parcours vanaf de grond voordat je besluit om in zo’n boom te klimmen. 

Richard, Savannah en ik besloten te beginnen met een geel parcours wat gelijk staat aan een speeltuin voor kleuters. Je klimt en klautert slechts twee meter boven de grond en de obstakels zijn redelijk goed te overbruggen. Het tweede parcours kozen Savannah en ik aangezien het mannelijk deel van onze groep even moest doen wat alle mannen moeten doen in een bos; het uitzetten van geurvlaggen. Dat gaf Richard dus niet de mogelijkheid om mogelijke hindernissen vanaf de grond te beoordelen en toen hij – als laatste ook nog – bij obstakel drie aankwam, zag hij zijn grootste nachtmerrie in de boom hangen: een sleetje aan een kabel.

Ik ga er geen woorden meer aan vuil maken, ik ga niet uitleggen wat de bedoeling is en ik zal ook niet vertellen hoe moeilijk het is om met een sleetje tussen twee bomen te glijden.
Klik op het bijgevoegde filmpje en geniet. En oh ja, die gierende uithalen op de achtergrond……. dat ben ik.





maandag 22 september 2014

Openbaar vervoer



Wij wonen in een heerlijk dorpje – dorpje is eigenlijk nog een groot woord want het zijn drie straten en een boerderij – op spuugafstand van Stockholm. Het station is vijf minuten lopen als je doorloopt en zeven minuten als je slentert of een koffer meesjouwt en elk half uur komt daar de trein van en naar Stockholm centraal.

Je auto parkeren in de stad kost een vermogen en vraagt wat geduld omdat er nooit een parkeerplaats is en de file de stad in vraagt ook wat van je incasseringsvermogen want Zweden krijgen hun rijbewijs gratis bij een pakkie boter.
Wij reizen dus vaak met de trein en dat zou een bijzonder comfortabele manier van reizen zijn als niemand anders er gebruik van zou maken. Maar helaas moeten wij de coupé vrijwel altijd delen met mensen die het slechtste in mij naar boven halen. Van mezelf ben ik een rustig, sociaal en meedenkend mens waar je vrijwel geen last van hebt zolang ik mij kan verdiepen in het boek dat ik heb gedownload op mijn telefoon. Ik zou van mezelf echt weinig last hebben. Maar helaas kom ik zelden mijn alter ego tegen in de trein en loopt mijn bloeddruk regelmatig op naar ongezonde waardes.

Zo zijn daar mensen die stinken. En niet zomaar een beetje stinken, nee mensen die ruiken alsof ze een weekend hebben doorgebracht in de ondergrondse riolering van een middelgrote stad.  Ze zien er redelijk normaal uit, nette jas, rugzakje om, mobieltje in de knuistjes geklemd en dan ploffen ze naast me neer en bij de eerste de beste ademteug weet ik, dit wordt een hele lange reis. Discreet probeer ik mijn neus in de kraag van mijn jas te verbergen maar de lucht is zo doordringend, daar kan geen winterparka tegenop. Door mijn mond ademhalen durf ik ook niet want ik krijg spookbeelden van bacteriën die zich een weg banen van die stinkende buur naast me naar mijn schone luchtpijp en zich vervolgens nestelen in mijn rookvrije longen om daar een feestmaal aan te richten waardoor ik uitgeschakeld word door een fikse longontsteking. En als bij het volgende station een ander waagt om zich in mijn buurt te zetelen dan schaam ik me dood omdat ik bang ben dat hij mij verdenkt van de ondraaglijke stank die zich door de hele coupé verspreidt.

Dan zijn er nog de kauwgumkauwende medereizigers. In Zweden is het zeer gebruikelijk om met je mond open te eten. Het maakt niet uit of dat een dropje of een feestelijk vijfgangen diner is, kauwen doe je met de lippen gespreid zodat een ieder kan meekijken en meeluisteren hoe jij de eerste voorbereidingen treft voor het verteren van wat eetbaars. En dat geldt dus ook voor kauwgum. Deze week zat ik naast een dame die de pensioengerechtigde leeftijd ver voorbij was en in het gelukkige bezit was van een kunstgebit dat heftig meeklapperde op het ritme van haar malende kauwgumkaken. 

En zijn het geen gepensioneerde kauwgummers dan zijn het dertig-minners die hun gehoor inmiddels zo beschadigd hebben dat hun mobieltje op vol vermogen staat en de muziek dwars door hun oordopjes tettert zodat de hele coupé mag meegenieten van Katy Perry, Sam Smith, Meghan Trainor, Arontruppa en alle andere rampetamp die niet hoog op mijn persoonlijke Top 40 staan. En oordopjes vergeten dan is er nog geen man overboord, dan draaien ze de muziek gewoon zonder oordopjes. Erg gezellig als je de pech hebt dat er drie muziekliefhebbers zonder oordopjes in de trein zitten. En als er geen muziek wordt gedraaid dan zijn we getuige van een live verslag van een vechtscheiding, weten we dat Pelle vanavond gehaktballetjes eet, bevindt Kajsa zich in de trein tussen Järfälla en Södertälje, gaat Johan aan het bier als hij thuiskomt, weet Fredrik niet zeker hoe het sollicitatiegesprek is gegaan, loopt Maja even langs de supermarkt om maandverband voor haar dochter mee te nemen, wordt de uitkering van Ulrika waarschijnlijk stopgezet en ben ik verre van geïnteresseerd in welk telefoongesprek dan ook.

Waar ik ook niet zo dol op ben zijn kinderen in alle leeftijden. Ik weet niet hoe het met de Nederlandse opvoeding hedentendage is gesteld maar in Zweden lijkt het de hekkensluiter van het familieleven te zijn. Dus wordt er volop geschreeuwd en gekrijst als de fles, de speen, de lollie, de zak snoep, het blikje cola of wat voor zoethoudertje dan ook niet snel genoeg tevoorschijn wordt getoverd. Verder heeft je step danwel je rugzak recht op een eigen zitplaats en mensen met een geldig plaatsbewijs staan noodgedwongen bij de deur (als die plaatsen niet inmiddels bezet zijn door drie kinderwagens of twee fietsen met zijtassen).

Verder wordt er in de trein volop gebedeld door dubieuze Roemenen die óf zelf het slachtoffer zijn van een afschuwelijke ziekte óf een roedel kinderen hebben die aan het één dan wel het ander lijden. Praktisch als ik kan zijn bedenk ik dan altijd maar weer hoeveel ze zelf zullen bijdragen aan de medische behandeling van hun kind want met die paar rooie centen die ze met bedelen binnenharken kun je net een doosje paracetamol aanschaffen. 
Overigens genezen de meeste bedelaars op miraculeuze wijze zodra ze de trein verlaten en zelfs de meest kreupele Oost-europeaan weet altijd weer een sprintje te trekken om de volgende trein te halen. 

En tot slot ben ik waarschijnlijk de enige die elke maand weer financieel bijdraagt aan het onderhoud van het spoor waar we allemaal gebruik van willen maken want het controleren van een geldig plaatsbewijs gebeurt alleen op trajecten waar brave forensen reizen en mocht je toch als zwartrijder geïdentificeerd worden dan krijg je van de controleur alleen maar te horen:"Je weet wat dit betekent", waarna je je reis ongestoord kunt vervolgen.En ik ben er na al die jaren nog steeds niet achter wat er dan gebeurt.

En ik? Ik blijf braaf frisgewassen reizen met een geldig kaartje, zonder schreeuwende kinderen, met mijn tas op schoot, muziekvrij en gepoetste tanden zonder kauwgum in alle rust een boekje lezend op mijn mobiele telefoon. Nu maar hopen dat niemand zich aan mij stoort.
verboden in je neus te peuteren?



zaterdag 13 september 2014

Verkiezingen



Zondag is het weer zover, we mogen weer naar de stembus.

Ik ben een fervent stemmer en ik ga alleen al stemmen omdat ik mag stemmen. Nog nooit een stembeurt overgeslagen. Maar het wordt mij niet gemakkelijk gemaakt want ik moet namelijk ook ergens óp stemmen, en dan bij voorkeur op een partij die in het verlengde ligt van mijn wensen en toekomstverwachtingen. En daar gaat het dus helemaal mis. Want welke partij behartigt mijn belangen nu het best?

Er zijn acht politieke partijen die in de Riksdagen (zeg maar de regering) zitten en zes partijen die voor spek en bonen meedoen. De spek-en-bonen partijen zijn bijvoorbeeld de Piratenpartij die zich voornamelijk bezighoudt met het legaliseren van illegale zaken zoals het downloaden van muziek of het kopiëren van software of het Feministisch initiatief waarmee ik mezelf nu ook niet direct identificeer omdat ik beslist niet zonder BH zou kunnen en twee vlechtjes mij gewoon niet staan.

Ik maak dus een keuze uit één van de acht en dat is nog niet zo eenvoudig.
Zo hebben alle partijen – geen één uitgezonderd – als speerpunt van hun campagne goed onderwijs gekozen. Ze willen allemaal dat leraren beter betaald worden, dat klassen kleiner worden, dat probleemleerlingen recht hebben op extra steun en dat er meer geld moet naar het onderwijs. Ik vind dat ook, hoewel het bij mij op dit moment niet echt een heet hangijzer is want mijn eigen Cito-toets is al weer even geleden en ook mijn kinderen zijn de schoolbanken (eindelijk) ontgroeid.  Maar echt tegen ben ik ook niet. Ik vraag me dan ook af waarom de koe niet bij de horens wordt gevat; als we dat allemaal vinden, jas dat dan even door de begrotingsvoorstellen heen. Hup, het lerarensalaris  wat omhoogkrikken tot het niveau van Jan Modaal, gooi een extra wandje in een klaslokaal en zet er een werkloze immigrant voor, sla wat grote letterboeken in voor de extra steun en lever een stukje ministersalaris is zodat er wat geld kan worden doorgesluisd naar het armlastige onderwijs. Hoe moeilijk kan het zijn? En waarom staat het zo hoog op het wensenlijstje van de regeringspartijen als ze momenteel al in de regering zitten? Dan hadden ze dat toch al lang kunnen regelen?

Nog zo’n netelige kwestie is –net als in Nederland – de asielproblematiek. Het aantal asielzoekers (en krijgers)in Zweden  stijgt ver boven de rest van gemiddeld Europa uit. Na Malta en Cyprus, waar veel bootvluchtelingen aankomen en daarna doorgesluisd worden,  komt Zweden op een derde plaats  met 44 500 verleende verblijfsvergunningen in 2013. Ter vergelijking, Nederland verstrekte in datzelfde jaar 10 500 verblijfsvergunningen. Nederland neemt dit jaar 250 Syrische vluchtelingen op terwijl in Zweden men direct een permanente verblijfsvergunning krijgt als men uit Syrie komt, 4 000 stuks vanaf januari 2014. Dat het probleem Zweden boven het hoofd groeit is onmiskenbaar. Robin wilde zich deze week inschrijven voor een huurwoning in Södertälje waar hij werkt en kreeg te horen dat hij 14 000 punten moet hebben om bovenaan de lijst te komen. Dat betekent dat hij 135 jaar moet staan ingeschreven.
Maar de politieke partij die het woord immigrant in de mond neemt wordt onmiddellijk als racistisch beschreven en kan een plaatsje in de regering wel vergeten. Er is slechts één partij die de immigratiestroom aan banden wil leggen; de Sverige Demokraten. Het is de grote broer  van de partij van Wilders in Zweden maar daar is het intelligentiequotiënt evenredig aan het aantal pilsjes dat ze per dag naar binnen werken en bovendien heeft 20% van de partijleden een strafblad en 17% is geregistreerd bij de Kronofogden (kredietregistratie). En dan nog wil 12% van de Zweedse bevolking daarop stemmen dus kun je rustig concluderen dat 12% van de Zweedse bevolking geen verstand heeft.

Een ander groot probleem is de hoeveelheid bedelaars die je werkelijk overal in Zweden tegenkomt. Het zijn voornamelijk mensen uit de Balkanlanden die zich aangesloten hebben bij dubieuze liga en met buslasten tegelijk wekelijks Zweden binnengeloodst worden. Zweden is het enige land in Europa waar het niet verboden is om te bedelen en daarom vind je op elke hoek van de straat jammerende Roemenen en Bulgaren. Een groot aantal Zweden  ergert zich er groen en geel aan – hoewel er nog steeds voornamelijk vrouwelijk oud de portemonnee trekt bij elke huilende Balkanganger met een foto van de kinderschaar waarvan er op één of andere manier altijd één ernstig ziek is – maar geen politieke partij die het verbieden aandurft.

De milieupartij wil de auto verbieden en adviseert ons met klem om te stoken op koeienvlaai en de berenvellen worden voor wat hen betreft de modetrend voorjaar 2015.

De socialisten hebben een partijleider die de Hogeschool nog nooit van binnen heeft gezien  en met moeite zijn lasopleiding heeft weten af te ronden. En dat moet dan de begroting van Zweden op de rails krijgen en om tafel  gaan zitten met economen, staatssecretarissen en ministers terwijl hij geen benul heeft hoe een briefje van honderd eruit ziet.

De Vänsterpartie (de Linkse partij waarvan ik al uitslag krijg als hun naam genoemd wordt) wil in principe alles afschaffen danwel verbieden als het met hard werken te maken heeft. Iedereen die hard werkt moet het overschot van zijn bankrekening afstaan aan mensen die minder hard werken om de gelijkheid te bevorderen. Winst maken wordt verboden en zal worden bestraft met hoge boetes zodat het überhaupt niet meer zo zinvol is om een bedrijf te runnen.  Dat het land niet uitsluitend op de overheid kan draaien is nog niet heemaal tot hen doorgedrongen.

De Centrumpartij is tegen euthanasie en verafschuwt  wat er in Nederland mogelijk is dus daar kan mijn stem sowieso al niet naar toe. Ik ben en blijf immers Nederlander en als het beschikkingsrecht van mijn kat beter is geregeld dan mijn eigen beschikkingsrecht dan is de keus niet moeilijk.

Maar de keus is dus wel moeilijk want eigenlijk wil ik op geen enkele partij stemmen. Meestal weet ik van alle partijprogramma’s de minst slechte nog wel te vinden maar nu weet ik het gewoon echt niet. Aan de landsverkiezingen mag ik niet meedoen omdat ik geen Zweedse ben dus misschien zadel ik Nederland over twee jaar wel met Wilders op omdat ik daar wel mag stemmen. Maar de gemeenteverkiezingen en de verkiezingen voor de Landstinget (de gezondheidszorg) wachten wel met smart op mijn stem.
Ik denk dat ik een dobbelsteen meeneem naar het stemhokje.

zondag 10 augustus 2014

Zomer



Lopen in de winter is moeilijk, lopen in de zomer is onmogelijk.

Ik heb me heilig voorgenomen om tijdens mijn zomervakantie mijn hele ziel en zaligheid te leggen in het trainen voor de halve marathon. Minstens vier keer per week lopen waarvan twee loopjes van tien kilometer of langer. Een prima voorbereiding op de halve marathon van Göteborg in oktober. Helaas heb ik geen rekening gehouden met de weergoden die voor de zomer van 2014 een hittegolf van vier weken in het noorden van Europa hebben gepland.
Twee dagen voor mijn vakantie begint slaat het noodweer toe; dertig graden en geen zuchtje wind. Mijn interne thermostaat is een beetje verkeerd afgesteld en zelfs op een koude winterdag kom ik drijfnat thuis na een eenvoudig loopje van hooguit vijf kilometer. Rennen bij een temperatuur van boven de vijfentwintig graden is voor mij dan ook een poging tot zelfmoord en aangezien ik geen plannen heb in die richting besluit ik af te wachten tot de temperatuur weer zakt.
Ik wacht en wacht en wacht maar de weersverwachting geeft onveranderd ‘mooi weer’ met zomerse temperaturen aan. Een rampscenario voor mij.
Als ik na twee weken nog steeds geen kilometer heb gerend, begrijp ik dat ik een andere tactiek zal moeten toepassen. Ik zal of ’s morgens vroeg of ’s avonds na zonsondergang in de benen moeten. De keuze is niet moeilijk want vrijwillig kom ik in mijn vakantie niet voor negen uur mijn bed uit en dan staat de zon al meer dan twee uur vals aan de hemel te branden. En om mijn wekker om vijf uur te zetten om wat overtollig vet kwijt te raken en de conditie op aanvaardbaar niveau te houden gaat mij echt te ver. Het worden dus rondjes in de avondschemer.

De avondmaaltijd wordt wat naar voren geschoven want als ik te weinig tijd laat tussen het verorberen van een bord spaghetti en vijf kilometer joggen dan kan ik twee keer genieten van mijn Italiaanse pasta.
Om negen uur is de brandende hel eindelijk achter de bomen verdwenen en heel langzaam zakt de temperatuur tot aanvaardbare waardes. Beetje raar middenin juli maar oh, wat verlang ik naar een korte maar intensieve sneeuwbui.
Enthousiast kleed ik me om, zet alle elektronica op en aan en ga in de benen. De eerste tien minuten verlopen volgens plan maar dan word ik gestoord door een vlieg. Irritant vliegt hij in het hetzelfde tempo als ik rond mijn oren. Ik wapper met mijn handen om het beest bij mij vandaan te houden maar Gods schepsel is tamelijk volhardend. Tergend vliegt hij van mijn linker- naar mijn rechteroor in een poging mij uit mijn ritme te krijgen.
Ik ga even in de wandelmodus om de ongewenste lifter een moordklap te verkopen maar hij weet van geen wijken. Sterker nog, hij mobiliseert wat vriendjes en nu moet ik de strijd met drie treiterende strontvliegen aangaan. Ik besluit er flink de sokken in te zetten in de hoop dat het tempo voor een huis-tuin-en-keukenvlieg te hoog zal zijn. Helaas, de kruissnelheid van de Zweedse paardenvlieg is net zo hoog als mijn best-wel-snel jogtempo.
Ik ben een vrouw en multitasken is mij daarom niet vreemd. Zonder mankeren kan ik ramen zemend, met een kleinkind op mijn heup de huiskamer stofzuigen terwijl de pannen op het fornuis pruttelen en ik geïnteresseerd luister naar een vreselijk leuk voorval dat mijn vriendin via de telefoon in mijn oor tettert.
Dus een moord- dan wel doodslag op drie ongewenste inwoners van het Scandinavische laagland tijdens mijn fysieke inspanningen, daar draai ik mijn hand niet voor om.  Ik ontdek dat een Walther P5 nu wel handig zou zijn geweest want ik had met alle plezier mijn belagers een pegel door de vleugels geschoten.

Met een flesje water tegen ongewenst uitdrogen in mijn ene hand lukt het mij om met mijn overgebleven vrije hand mijn bezwete hoofdband los te peuteren om dat als slagwapen te kunnen gebruiken. Met het moordwapen in de aanslag wacht ik op de volgende aanval die niet lang op zich laat wachten. De vijandelijke troepen zijn uitgebreid met een verdwaalde wesp die ongetwijfeld op de lucht afkomt want ondanks het ontbreken van de koperen ploert aan de hemel ben ik inmiddels nat tot op het bot. Wild sla ik met mijn zweetlap om me heen om de hinderlijke belagers van me af te houden terwijl ik het tempo nog iets probeer op te voeren. De coördinatie van mijn benen verloopt ook niet helemaal soepel meer en ik zwalk van links naar rechts over de weg maaiend met mijn armen om me heen en met mijn druppelende zweetbandje als potentieel oorlogsmaterieel.
Ik raak behoorlijk buiten adem van het hoge tempo maar ik weiger op te geven en ren als een dolle met een zwerm vliegen en de verdwaalde wesp achter me aan. 

De aanhouder wint wat ik in dit geval blijk te zijn. Een paard in de wei heeft goddank een grotere aantrekkingskracht - hij stinkt waarschijnlijk nog meer dan ik - en de horde zwenkt naar links, mij volledig desperaat achterlatend.
Ik ben uitgeput en wandel met mijn druppelende raketwerper nog in de hand naar huis. Rennen in de zomer, niets voor mij.