Lopen in de winter is moeilijk, lopen in
de zomer is onmogelijk.
Ik heb me heilig voorgenomen om tijdens
mijn zomervakantie mijn hele ziel en zaligheid te leggen in het trainen voor de
halve marathon. Minstens vier keer per week lopen waarvan twee loopjes van tien
kilometer of langer. Een prima voorbereiding op de halve marathon van Göteborg
in oktober. Helaas heb ik geen rekening gehouden met de weergoden die voor de
zomer van 2014 een hittegolf van vier weken in het noorden van Europa hebben
gepland.
Twee dagen voor mijn vakantie begint slaat
het noodweer toe; dertig graden en geen zuchtje wind. Mijn interne thermostaat
is een beetje verkeerd afgesteld en zelfs op een koude winterdag kom ik drijfnat
thuis na een eenvoudig loopje van hooguit vijf kilometer. Rennen bij een
temperatuur van boven de vijfentwintig graden is voor mij dan ook een poging
tot zelfmoord en aangezien ik geen plannen heb in die richting besluit ik af te
wachten tot de temperatuur weer zakt.
Ik wacht en wacht en wacht maar de
weersverwachting geeft onveranderd ‘mooi weer’ met zomerse temperaturen aan.
Een rampscenario voor mij.
Als ik na twee weken nog steeds geen
kilometer heb gerend, begrijp ik dat ik een andere tactiek zal moeten
toepassen. Ik zal of ’s morgens vroeg of ’s avonds na zonsondergang in de benen
moeten. De keuze is niet moeilijk want vrijwillig kom ik in mijn vakantie niet
voor negen uur mijn bed uit en dan staat de zon al meer dan twee uur
vals aan de hemel te branden. En om mijn wekker om vijf uur te zetten om wat
overtollig vet kwijt te raken en de conditie op aanvaardbaar niveau te houden
gaat mij echt te ver. Het worden dus rondjes in de avondschemer.
De avondmaaltijd wordt wat naar voren
geschoven want als ik te weinig tijd laat tussen het verorberen van een bord
spaghetti en vijf kilometer joggen dan kan ik twee keer genieten van mijn Italiaanse
pasta.
Om negen uur is de brandende hel eindelijk
achter de bomen verdwenen en heel langzaam zakt de temperatuur tot aanvaardbare
waardes. Beetje raar middenin juli maar oh, wat verlang ik naar een korte maar
intensieve sneeuwbui.
Enthousiast kleed ik me om, zet alle elektronica
op en aan en ga in de benen. De eerste tien minuten verlopen volgens plan maar
dan word ik gestoord door een vlieg. Irritant vliegt hij in het hetzelfde tempo
als ik rond mijn oren. Ik wapper met mijn handen om het beest bij mij vandaan
te houden maar Gods schepsel is tamelijk volhardend. Tergend vliegt hij van
mijn linker- naar mijn rechteroor in een poging mij uit mijn ritme te krijgen.
Ik ga even in de wandelmodus om de
ongewenste lifter een moordklap te verkopen maar hij weet van geen wijken.
Sterker nog, hij mobiliseert wat vriendjes en nu moet ik de strijd met drie
treiterende strontvliegen aangaan. Ik besluit er flink de sokken in te zetten
in de hoop dat het tempo voor een huis-tuin-en-keukenvlieg te hoog zal zijn.
Helaas, de kruissnelheid van de Zweedse paardenvlieg is net zo hoog als mijn
best-wel-snel jogtempo.
Ik ben een vrouw en multitasken is mij daarom
niet vreemd. Zonder mankeren kan ik ramen zemend, met een kleinkind op mijn
heup de huiskamer stofzuigen terwijl de pannen op het fornuis pruttelen en ik
geïnteresseerd luister naar een vreselijk leuk voorval dat mijn vriendin via de
telefoon in mijn oor tettert.
Dus een moord- dan wel doodslag op drie
ongewenste inwoners van het Scandinavische laagland tijdens mijn fysieke
inspanningen, daar draai ik mijn hand niet voor om. Ik ontdek dat een Walther P5 nu wel handig zou
zijn geweest want ik had met alle plezier mijn belagers een pegel door de
vleugels geschoten.
Met een flesje water tegen ongewenst
uitdrogen in mijn ene hand lukt het mij om met mijn overgebleven vrije hand mijn
bezwete hoofdband los te peuteren om dat als slagwapen te kunnen gebruiken. Met
het moordwapen in de aanslag wacht ik op de volgende aanval die niet lang op
zich laat wachten. De vijandelijke troepen zijn uitgebreid met een verdwaalde
wesp die ongetwijfeld op de lucht afkomt want ondanks het ontbreken van de
koperen ploert aan de hemel ben ik inmiddels nat tot op het bot. Wild sla ik
met mijn zweetlap om me heen om de hinderlijke belagers van me af te houden
terwijl ik het tempo nog iets probeer op te voeren. De coördinatie van mijn
benen verloopt ook niet helemaal soepel meer en ik zwalk van links naar rechts
over de weg maaiend met mijn armen om me heen en met mijn druppelende
zweetbandje als potentieel oorlogsmaterieel.
Ik raak behoorlijk buiten adem van het
hoge tempo maar ik weiger op te geven en ren als een dolle met een zwerm
vliegen en de verdwaalde wesp achter me aan.
De aanhouder wint wat ik in dit
geval blijk te zijn. Een paard in de wei heeft goddank een grotere
aantrekkingskracht - hij stinkt waarschijnlijk nog meer dan ik - en de horde zwenkt naar links, mij volledig desperaat
achterlatend.