Ik heb me nu al een aantal keer serieus voorgenomen om niet meer te schrijven in deze blog. Ik heb weinig volgers - als mijn statistieken me niet bedriegen zijn het er 13 -, ik verdien er geen klap mee terwijl het toch best wat tijd kost om een en ander leuk op het scherm te krijgen en tot slot kan ik me goed voorstellen dat lezers ook gewoon leesmoe worden van al dat gedartel en gespartel van de van Trigtjes. Maar dan gebeurt er weer iets waarvan ik denk:'Oh dat moet ik mijn moeder, mijn kinderen, mijn (schoon)zus, mijn neefjes, mijn vriendinnen in Nederland, mijn vriendinnen in Zweden en alle anderen die daarin interesse kunnen hebben wel even vertellen. Dus in plaats van het schrijven van 13 mailtjes gooi ik er maar weer een blogje tegenaan.
Een aantal blogjes geleden hebben we een zeilbootje gekocht en daar hebben we veel plezier van gehad. Nou ja, ik iets meer dan mijn ega want als je je vinger in een katrol van de grootschoot steekt wanneer het grootzeil met een vaartje naar de andere kant van de boot toe zwiept als je iets te veel voor de wind vaart, dan gaat de lol er wel een beetje vanaf. Maar toegegeven, als je als treinmevrouw om het weekend moet werken, blijven er in een zomerseizoen in Zweden niet veel zeildagen over. In eerste instantie bieden we ons pareltje te koop aan maar al snel blijkt dat zelfs de straatstenen het ding niet willen hebben. Plan B verloopt iets beter; alles van waarde verkoop ik los dus voor de buitenboordmotor, het nieuwe grootzeil en de vaggan (stelling waarop de boot staat) krijg ik net zo veel als wat ik voor de hele boot wil hebben. Heb ik nog wel steeds een inmiddels waardeloze boot in mijn tuin liggen.
Op de Zweedse equivalent van marktplaats wordt de boot 'gratis af te halen' gezet en ik verwacht nu een stormlooop van dubbeltje-op-de-eerste-rangers maar niets van dat al. Het blijft akelig stil in zowel mijn mailbox als mijn telefoon. De enige die reageert is een jonge knul die zijn eigen fok aan flarden heeft gezeild en vraagt of we één van onze fokken willen ruilen tegen een grootzeil dat hij nog als reserve heeft liggen. Dat doen we want dan hebben we in ieder geval weer een zeilboot in plaats van een veredelde dobberaar.
Na een week of wat reageert Gregor. Gregor heeft zelf ook een Triss Magnum maar die is wat kaal op de huid - die boot dus - en alle toeters en bellen op de boot hoeft hij niet te hebben. Ik leg hem nog even voor alle duidelijkheid uit dat de vaggan (waar ik nog een stuiver voor hoop te krijgen) er niet bijhoort. Nee, geen probleem, hij heeft alles maar zijn boot is aan vervanging toe.
Als Gregor komt (een Litauer, ik had gewaarschuwd moeten zijn), klopt er niets meer van het oorspronkelijke verhaal. Hij heeft overal en nergens boten liggen en deze krijgt zeker een plaatsje in de rij met dubieuze transacties. Hij inspecteert het ding alsof hij zich in boot genomen voelt en natuurlijk wil hij alles hebben; zeilen, kussens, lijnen, zwemvesten, de plee en dus ook de vaggan. Niets is zo veranderlijk als een Litauer. De kraanwagen die hij besteld heeft, is er inmiddels en enthousiast worden de hijslijnen om de boot met vaggan gegooid. Niks ervan, in die vaggan zit mijn laatste restje overwaarde, die gaat niet mee. Het wordt ruzie en ik smijt Gregor van mijn oprit en stuur de kraanwagen weg. Alles ten oosten van de lijn Kiruna - Nice is tuig, dat is maar weer bewezen.
Na een paar weken reageert Hans. Hans heeft wel interesse en wil komen kijken samen met Leonor. Het is een stel apart, ik kan er niets anders van maken. Ze hebben volgens mij allebei de invasie van de Vikingen nog meegemaakt; Hans met een grote grijze baard, een corduroy broek en zwarte sokken in sandalen en Leonor in een zelfgebreide rok, krom als een hoepel en afgekleed met een grijs knotje op het hoofd. Nu zijn Ries en ik ook de jongsten niet meer maar wij vallen in de categorie 'puber' ten opzichte van Hans en Leonor. Hans vindt de boot mooi, Leonor is vooral geinteresseerd in Saar (onze kat). Ze vraagt of ze wat foto's mag nemen. Ik vertel dat ik nog wat foto's heb van de boot in het water en onder zeil maar zij wil liever wat foto's van de kat.
Met gevaar voor eigen leven klauteren eerst Leonor en dan Hans de boot op en ik sta stijf van de zenuwen te bedenken dat ze ooit die boot ook weer uit moeten. 'Is dit het stuur', roept Leonor naar beneden wijzend op de vlaggenstok.
Leonor fotografeert alles wat los en vast ziet en vindt alles enig. Plots bedenkt ze - het lijkt wel in een opwelling maar misschien was het gepland - dat ze met de trein mee moet en veel sneller dan ik ooit had durven vermoeden staat ze weer beneden, neemt uitgebreid afscheid van Saar en gaat dan op een holletje naar het station. Hans blijft achter en zegt dat hij de boot wil hebben en dat hij hem de volgende week komt halen.
Plannen is zoals we inmiddels uit ervaring weten niet de sterkste eigenschap van Zweden en dus wordt volgende week volgende maand. Maar als ik Hans achter de corduroy broek aanzit en meld dat de boot naar een ander gaat als hij hem nu niet komt halen - bluffen is daarentegen wel weer een sterke eigenschap van Nederlanders - komt er schot in de zaak. Hij komt langs met wat spullen die mee moeten op de boot. Hans heeft geen auto en geen rijbewijs (varen kan hij trouwens ook niet want hij heeft nog nooit gezeild) en dus komt hij met een taxi. De taxichauffeur vraagt of Richard even wil helpen met het uitladen van Hans zijn spullen; een ergens op de kop getikte oude buitenboordmotor, een 7-persoons opblaasboot, een accu, twee jerrycans en nog wat handige attributen voor de doe-het-zelf zeiler. Een schoenlepel gaat mee aan boord als pikhaak en op een oude wegenkaart heeft hij een prachtige route naar Ingarö uitgezet. Van vaargeulen, boeien en dieptes zal Hans zich waarschijnlijk weinig aantrekken. De roeiboot gaat hij gebruiken als tender. Een plaats in een jachthaven vindt hij te duur dus legt hij de boot voor anker iets uit de kust en dan roeit hij met zijn rubberboot naar de kant. Waarom dat ding dan zo allejezus groot moet zijn is me een raadsel. Richard vraagt of hij zal helpen met het monteren van de buitenboordmotor nu de boot nog op de kant ligt maar dat is veel te zwaar, vindt Hans. Die hangt hij wel op de boot als deze eenmaal in het water ligt. Ik vermoed dat binnenkort niet alleen de boot maar ook de buitenboordmotor in het water ligt. Met Hans erbij.
Een paar dagen later is het zover en zal de boot opgehaald worden. Vlak voordat de kraanwagen arriveert word ik gebeld door Hans. Hij komt met de trein maar hij is vergeten waar hij uit moest stappen. Ligt Krigslida nu voor of na Nynäshamn? Hans, Nynäshamn is ongeveer het einde van de wereld. Na Nynäshamn is er niets anders meer dan oneindig veel zee. Als je een beetje doorzwemt, lig je in Finland. Je bent 4 stations te ver doorgereden. Hans stapt uit en neemt de eerste de beste trein terug. Ik adviseer hem in Tungelsta uit te stappen en mij dan weer te bellen, dan loods ik hem via de telefoon de krochten van Krigslida wel in. Hans belt nog drie keer en vraagt of hij voor- of achterin de trein moet gaan zitten. Dat maakt niet zo veel uit, leg ik hem uit. Zowel het voorste als het achterste gedeelte van de trein gaat naar Tungelsta. Na 20 minuten belt hij weer, hij zit nu in de bus. Fan, djävel,skit, helvete..... waarom zit je in een bus? De bus naar Krigslida, antwoordt hij opgewekt. Er gaat helemaal geen bus naar Krigslida dus ik sommeer hem onmiddellijk uit te stappen en op de bushalte te blijven zodat ik hem met de auto kan oppikken. De kraanwagenmeneer is inmiddels begonnen met het oppompen van de rubberboot wat Hans eigenlijk zelf had zullen doen, want anders wordt het nachtwerk. Ik rijd naar de bushalte maar zie alleen een boodschappenkarretje op wieltjes vol met plastic zakken, van Hans geen spoor. Ik rijd door, speur velden en wegen af en besluit dan om te keren en nogmaals op zoek te gaan in de buurt van de bushalte. Daar zit hij braaf te wachten op een bankje. Hij was even een stukje lopen, benen strekken of zoiets.
Als we thuiskomen ligt het zeilbootje al keurig op de kraanwagen. We binden de rubberboot vast, gooien de accu, de plastic zakken, de jerrycans, de buitenboordmotor, de peddels en de schoenlepel erbij en met een een, twee, drie in godsnaam zwaai ik Hans met tranen in de ogen uit. Ik ga hem missen. Nee, niet Hans, mijn bootje.





