En daar gaan we weer. Helemaal van vooraf aan
beginnen. Ik ben nu een paar weken uit de running en het stilzitten meer dan zat.
Ik tril als een rietje maar mag geen bètablokkers gebruiken als ik ga rennen
omdat het de hartslag bewust laag houdt. Dat gaat mijn hart –en de rest van
mijn lichaam trouwens ook – niet leuk vinden want het is een uitdaging om
spieren van zuurstof te voorzien als je niet sneller mag kloppen. En dat is nu
net waar mijn hart momenteel erg goed in is; lekker snel kloppen met een
onverwacht overslagje nu en dan. Maar liggen in een ziekenhuisbed gevolgd door
een week bankhangen maakt de spieren lui en dus besluit ik alle adviezen van
vrienden en bekenden, die ongetwijfeld het beste met mij voor hebben, in de
wind te slaan en het sporttenue maar weer uit de mottenballen te trekken.
De dag voor ik werd opgenomen, had ik al problemen
met het uithoudingsvermogen en moest ik na zeven kilometer opgeven en ik ben
een beetje bang dat dat gevoel van totale mislukking onmiddellijk weer boven
komt drijven als ik er de pas in zet. Ik besluit om het tempo van les één aan
te houden waarbij je meer wandelt dan loopt en begin dan ook met twee minuten
wandelen. Dat gaat goed.
Mijn arts heeft me aangeraden om mijn hartslag
niet boven de honderdveertig te laten oplopen dus is mijn hartslagmeter de
komende tijd even mijn beste vriend (of misschien wel vijand). Na dertig seconden heb ik genoeg van dat
wandelen en ga ik over in looppas. Wandelen doe ik wel weer als ik oud en
versleten ben. En trouwens, dertig seconden is bijna even lang als twee
minuten. Maar ik ben koud de hoek om of mijn hartslag gaat er als een razende vandoor en stoppen bij honderdveertig
is niet eens mogelijk omdat het ding van honderdtien naar honderdvijfenvijftig
schiet. Ik zal een utgebreide beschrijving van deze teleurstellende training
achterwege laten maar een totale mislukking is een understatement.
Bij terugkomst twijfel ik tussen de combinatie
bijltje en neergooien of pijp en Maarten. Bovendien heeft mijn overproducerende
schildklier ervoor gezorgd dat ik in een week tijd vijf kilo ben afgevallen dus
mijn streefgewicht komt heel aardig in de buurt. Voor een gezond BMI hoef ik
nog maar twee kilo af te vallen en dat lukt ook wel zonder al die loopjes. De inhoud van mijn kledingkast is vervangen
door leuke, sportieve kleding in maat 42 wat een prima maat is voor een vrouw
van één meter zevenentachtig.
Lopen hoeft niet meer, ik ben klaar. Geen
schuldgevoel meer als ik een keer besluit om niet te lopen. Geen eeuwige strijd
met mezelf om mijn sportkleding aan te trekken en de kou in te gaan. Geen
gemopper meer als ik weer eens slechter heb gelopen dan de vorige keer. Niet
voortdurend de was laten draaien zodat ik schone sportkleren heb als ik weer in
de benen moet. Niet bang zijn dat mijn hart, mijn longen, mijn vaatstelsel,
mijn spieren, mijn achillespees of welk ander onderdeel dan ook besluit op te
geven als ik halverwege ben. Geen hinderlijke vliegen die om me heen zoemen als
ik drijfnat doordraaf. Niet geïrriteerd met mijn sporthorloge lopen zwaaien in
de hoop dat deze binnen afzienbare tijd een satelliet weet te vinden zodat ik
mijn prestaties kan bekijken na afloop.
Twee dagen later gaan de schoenen weer aan. Want
stoppen met lopen, daar moet ik dus echt niet aan denken.
Toch is sporten is niet echt mijn ding. Had ik keuze dan
was dan was mijn favoriete hobby fauteuilsurfen afgewisseld met hangmathangen
voor gevorderden onder het genot van een goed glas wijn en een schaal Japanse
nootjes. Een lekker tijdschrift en de afstandbediening van de tv voor handen en
ik kom de dag wel comfortabel door. Maar mijn verbranding is al niet zo hoog en
met mijn favoriete hobby zal ik op den duur dan ook gewoon dichtgroeien. Dus in
de categorie ‘meer bewegen’ heb ik ervoor gekozen om toch maar weer in de benen te gaan, ondanks alle kwalen die ik iniddels op mijn CV heb staan. Tot nu toe zijn mijn ervaringen nog (steeds) niet overweldigend en dat
komt met name omdat ik tot de conclusie ben gekomen dat ik veel te veel
openingen in mijn lichaam heb. En die openingen laten allerlei vloeistoffen
naar buiten op momenten dat het mij niet zo goed uitkomt. Ik lek.
Allereerst heb ik een hele voorraad zweetklieren
binnengesleept toen ik nog in aanbouw was en de grootste verzameling is te
vinden op mijn hoofd. Er is erg weinig voor nodig om die kabbelende beekjes om
te toveren in woeste rivieren. Een presentatie voor een man of vijf, een
sollicitatiegesprek of het vouwen van wat servetten kan ertoe leiden dat binnen
een mum van tijd de straaltjes van mijn hoofd aflopen en charmant mijn
decolleté in druipen. Mijn gesprekspartners maken zich vaak flinke zorgen
aangezien een hartaanval dan wel hersenbloeding vaak begint met zweten maar
meestal weet ik hen op tijd gerust te stellen. Niets aan de hand, de sluizen op
mijn hoofd staan slechts open.
Lichamelijke activiteiten zoals stofzuigen,
strijken of ramen zemen zet de rest van het zweetstelsel in gang. Dus zodra ik
één voet buiten de deur zet voor een rondje Krigslida, zweet ik zelfs op mijn
kuiten en op de buitenkant van mijn ellebogen en na een half uurtje joggen zou
ik half Afrika kunnen voorzien van gevulde waterputten.
Ongeacht welke kant ik oploop, ik heb altijd wind
tegen. En die wind waait in mijn ogen waardoor mijn ogen gaan tranen. In eerste
instantie weet ik dat via allerlei ingewikkelde kanaaltjes nog wel af te voeren
maar na verloop van tijd lopen mijn ogen over en zie ik niets meer. Rennen met een witte stok of een eigenwijze labrador die mij de weg zou moeten wijzen is onhandig en dus hol ik halfblind door. Tranen
biggelen over mijn wangen en vermengen zich met het snot dat ik ook niet meer
opgesnoven krijg en uit andere gaten naar buiten sijpelt.
Intussen produceert mijn keel op vol vermogen
slijm om mijn luchtpijp te bevochtigen. Maar ook dat blijkt weer niet in
verhouding te zijn met wat mijn luchtpijp nodig heeft en kwat ik links en
rechts om me heen om van die liters speeksel af te komen waarbij ik ook nog
eens moet opletten dat ik niet per ongeluk een onschuldig passerende fietser in
het gezicht spuug.
Meestal denk ik eraan om naar de wc te gaan voor
ik me ga omkleden maar tegen de tijd dat ik bij lantaarnpaal drie ben is mijn
blaas al weer redelijk gevuld en moet ik niet alleen mijn kuit- maar ook mijn
sluitspieren flink aan de gang zetten om de boel droog te houden. Daarbij is
het aanpassingsvermogen van mijn darmen nihil en hebben ze geen benul dat
ontlasten tijdens een sprintje vaak niet goed uitkomt. Tel daarbij op de gassen
die daarbij geproduceerd worden en je zult begrijpen dat ik vaak een spoor van
ellende achter me aan trek.
De enige gaten waar ik tijdens mijn loopjes echt
geen last van heb zijn mijn oren. Het gedreun van mijn eigen voetstappen in het ritme van muziek van Gerard en Jan gaan erin maar er komt niets uit. Geen druppel.
Ik gebruik allerlei handige attributen om de
schade te beperken. Ik heb een zweetband om mijn hoofd en een reserveband in
mijn jaszak, mijn t-shirt maakt overuren en mijn jas is luchtdoorlatend zodat
de boel kan verdampen, bergen zakdoekjes gaan de strijd aan met de ellende op
mijn hoofd en mijn renbroek is zwart dus die kan – mocht het zover komen – de
chaos aardig verdoezelen. En als ik thuiskom wacht de douche geduldig op me om
de zaak weer in oude glorie te herstellen zonder dat anderen daar last van me
hebben. Want reken maar dat ik ruik na zo’n rondje lekken.
Gisteren heb ik meegedaan aan de tunnelrun, een loopje van 10 kilometer met 34 000 anderen door een volgende week te openen tunnel in Stockholm. Ik vermoed dat de opening moet worden uitgesteld. De tunnel staat onder water. Sorry!!!!