Carpe diem

Carpe diem

vrijdag 7 september 2018

Zeilboot

Ik heb me nu al een aantal keer serieus voorgenomen om niet meer te schrijven in deze blog. Ik heb weinig volgers - als mijn statistieken me niet bedriegen zijn het er 13 -, ik verdien er geen klap mee terwijl het toch best wat tijd kost om een en ander leuk op het scherm te krijgen en tot slot kan ik me goed voorstellen dat lezers ook gewoon leesmoe worden van al dat gedartel en gespartel van de van Trigtjes. Maar dan gebeurt er weer iets waarvan ik denk:'Oh dat moet ik mijn moeder, mijn kinderen, mijn (schoon)zus, mijn neefjes, mijn vriendinnen in Nederland, mijn vriendinnen in Zweden en alle anderen die daarin interesse kunnen hebben wel even vertellen. Dus in plaats van het schrijven van 13 mailtjes gooi ik er maar weer een blogje tegenaan.

Een aantal blogjes geleden hebben we een zeilbootje gekocht en daar hebben we veel plezier van gehad. Nou ja, ik iets meer dan mijn ega want als je je vinger in een katrol van de grootschoot steekt wanneer het grootzeil met een vaartje naar de andere kant van de boot toe zwiept als je iets te veel voor de wind vaart, dan gaat de lol er wel een beetje vanaf. Maar toegegeven, als je als treinmevrouw om het weekend moet werken, blijven er in een zomerseizoen in Zweden niet veel zeildagen over.  In eerste instantie bieden we ons pareltje te koop aan maar al snel blijkt dat zelfs de straatstenen het ding niet willen hebben. Plan B verloopt iets beter; alles van waarde verkoop ik los dus voor de buitenboordmotor, het nieuwe grootzeil en de vaggan (stelling waarop de boot staat) krijg ik net zo veel als wat ik voor de hele boot wil hebben. Heb ik nog wel steeds een inmiddels waardeloze boot in mijn tuin liggen.

Op de Zweedse equivalent van marktplaats wordt de boot 'gratis af te halen' gezet en ik verwacht nu een stormlooop van dubbeltje-op-de-eerste-rangers maar niets van dat al. Het blijft akelig stil in zowel mijn mailbox als mijn telefoon. De enige die reageert is een jonge knul die zijn eigen fok aan flarden heeft gezeild en vraagt of we één van onze fokken willen ruilen tegen een grootzeil dat hij nog als reserve heeft liggen. Dat doen we want dan hebben we in ieder geval weer een zeilboot in plaats van een veredelde dobberaar.

Na een week of wat reageert Gregor. Gregor heeft zelf ook een Triss Magnum maar die is wat kaal op de huid - die boot dus - en alle toeters en bellen op de boot hoeft hij niet te hebben. Ik leg hem nog even voor alle duidelijkheid uit dat de vaggan (waar ik nog een stuiver voor hoop te krijgen) er niet bijhoort. Nee, geen probleem, hij heeft alles maar zijn boot is aan vervanging toe.
Als Gregor komt (een Litauer, ik had gewaarschuwd moeten zijn), klopt er niets meer van het oorspronkelijke verhaal. Hij heeft overal en nergens boten liggen en deze krijgt zeker een plaatsje in de rij met dubieuze transacties. Hij inspecteert het ding alsof hij zich in boot genomen voelt en natuurlijk wil hij alles hebben; zeilen, kussens, lijnen, zwemvesten, de plee en dus ook de vaggan. Niets is zo veranderlijk als een Litauer. De kraanwagen die hij besteld heeft, is er inmiddels en enthousiast worden de hijslijnen om de boot met vaggan gegooid. Niks ervan, in die vaggan zit mijn laatste restje overwaarde, die gaat niet mee. Het wordt ruzie en ik smijt Gregor van mijn oprit en stuur de kraanwagen weg. Alles ten oosten van de lijn Kiruna - Nice is tuig, dat is maar weer bewezen.

Na een paar weken reageert Hans. Hans heeft wel interesse en wil komen kijken samen met Leonor. Het is een stel apart, ik kan er niets anders van maken. Ze hebben volgens mij allebei de invasie van de Vikingen nog meegemaakt; Hans met een grote grijze baard, een corduroy broek en zwarte sokken in sandalen en Leonor in een zelfgebreide rok, krom als een hoepel en afgekleed met een grijs knotje op het hoofd. Nu zijn Ries en ik ook de jongsten  niet meer maar wij vallen in de categorie 'puber' ten opzichte van Hans en Leonor. Hans vindt de boot mooi, Leonor is vooral geinteresseerd in Saar (onze kat). Ze vraagt of ze wat foto's mag nemen. Ik vertel dat ik nog wat foto's heb van de boot in het water en onder zeil maar zij wil liever wat foto's van de kat.
Met gevaar voor eigen leven klauteren eerst Leonor en dan Hans de boot op en ik sta stijf van de zenuwen te bedenken dat ze ooit die boot ook weer uit moeten. 'Is dit het stuur', roept Leonor naar beneden wijzend op de vlaggenstok.
Leonor fotografeert alles wat los en vast ziet en vindt alles enig. Plots bedenkt ze - het lijkt wel in een opwelling maar misschien was het gepland - dat ze met de trein mee moet en veel sneller dan ik ooit had durven vermoeden staat ze weer beneden, neemt uitgebreid afscheid van Saar en gaat dan op een holletje naar het station. Hans blijft achter en zegt dat hij de boot wil hebben en dat hij hem de volgende week komt halen.

Plannen is zoals we inmiddels uit ervaring weten niet de sterkste eigenschap van Zweden en dus wordt volgende week volgende maand. Maar als ik Hans achter de corduroy broek aanzit en meld dat de boot naar een ander gaat als hij hem nu niet komt halen - bluffen is daarentegen wel weer een sterke eigenschap van Nederlanders - komt er schot in de zaak. Hij komt langs met wat spullen die mee moeten op de boot.  Hans heeft geen auto en geen rijbewijs (varen kan hij trouwens ook niet want hij heeft nog nooit gezeild) en dus komt hij met een taxi. De taxichauffeur vraagt of Richard even wil helpen met het uitladen van Hans zijn spullen; een ergens op de kop getikte oude buitenboordmotor, een 7-persoons opblaasboot, een accu, twee jerrycans en nog wat handige attributen voor de doe-het-zelf zeiler. Een schoenlepel gaat mee aan boord als pikhaak en op een oude wegenkaart heeft hij een prachtige route naar Ingarö uitgezet. Van vaargeulen, boeien en dieptes zal Hans zich waarschijnlijk weinig aantrekken. De roeiboot gaat hij gebruiken als tender. Een plaats in een jachthaven vindt hij te duur dus legt hij de boot voor anker iets uit de kust en dan roeit hij met zijn rubberboot naar de kant. Waarom dat ding dan zo allejezus groot moet zijn is me een raadsel. Richard vraagt of hij zal helpen met het monteren van de buitenboordmotor nu de boot nog op de kant ligt maar dat is veel te zwaar, vindt Hans. Die hangt hij wel op de boot als deze eenmaal in het water ligt. Ik vermoed dat binnenkort niet alleen de boot maar ook de buitenboordmotor in het water ligt. Met Hans erbij.

Een paar dagen later is het zover en zal de boot opgehaald worden. Vlak voordat de kraanwagen arriveert word ik gebeld door Hans. Hij komt met de trein maar hij is vergeten waar hij uit moest stappen. Ligt Krigslida nu voor of na Nynäshamn? Hans, Nynäshamn is ongeveer het einde van de wereld. Na Nynäshamn is er niets anders meer dan oneindig veel zee. Als je een beetje doorzwemt, lig je in Finland.  Je bent 4 stations te ver doorgereden. Hans stapt uit en neemt de eerste de beste trein terug. Ik adviseer hem in Tungelsta uit te stappen en mij dan weer te bellen, dan loods ik hem via de telefoon de krochten van Krigslida wel in. Hans belt nog drie keer en vraagt of hij voor- of achterin de trein moet gaan zitten. Dat maakt niet zo veel uit, leg ik hem uit. Zowel het voorste als het achterste gedeelte van de trein gaat naar Tungelsta. Na 20 minuten belt hij weer, hij zit nu in de bus. Fan, djävel,skit, helvete..... waarom zit je in een bus? De bus naar Krigslida, antwoordt hij opgewekt. Er gaat helemaal geen bus naar Krigslida dus ik sommeer hem onmiddellijk uit te stappen en op de bushalte te blijven zodat ik hem met de auto kan oppikken. De kraanwagenmeneer is inmiddels begonnen met het oppompen van de rubberboot wat Hans eigenlijk zelf had zullen doen, want anders wordt het nachtwerk. Ik rijd naar de bushalte maar zie alleen een boodschappenkarretje op wieltjes vol met plastic zakken, van Hans geen spoor. Ik rijd door, speur velden en wegen af en besluit dan om te keren en nogmaals op zoek te gaan in de buurt van de bushalte. Daar zit hij braaf te wachten op een bankje. Hij was even een stukje lopen, benen strekken of zoiets.

Als we thuiskomen ligt het zeilbootje al keurig op de kraanwagen. We binden de rubberboot vast, gooien de accu, de plastic zakken, de jerrycans, de buitenboordmotor, de peddels en de schoenlepel erbij en met een een, twee, drie in godsnaam zwaai ik Hans met tranen in de ogen uit. Ik ga hem missen. Nee, niet Hans, mijn bootje.







dinsdag 10 april 2018

Kalmar

Om voor de titel 'machinist' in aanmerking te komen moet je aan een aantal voorwaarden voldoen. Eén daarvan is dat je als student minimaal 500 rij-uren met een begeleider moet hebben gereden en dus moet ik op stage. Eenmaal in vaste dienst zal ik vaak hetzelfde traject gaan afleggen en daarom heb ik besloten om mijn stages over heel Zweden te spreiden om zoveel mogelijk van het Zweedse spoorlandschap te zien. Vrijwel al mijn medestudenten willen hun stage dichtbij huis hebben en vele varkens maken de spoeling dun dus is het erg moeilijk om in de buurt van Stockholm uren te maken.
Maar ik heb me aangemeld voor de Öresundståg en mag nu drie weken in het zuiden van Zweden rijden.
Alles moest natuurlijk weer op de valreep geregeld worden maar met wat geluk op mijn schouder heb ik een heel leuk klein optrekje even buiten Kalmar gevonden. Op tweede paasdag heb ik mijn wagen volgeladen en na een tripje van 5 uur ben ik op de plaats van bestemming. Het Attefalletje ligt direct aan het water in een mooi natuurgebied op slechts 20 minuten rijden van Kalmar Centraal waar mijn ritjes beginnen.




De eerste werkdag begin ik om 5:30 uur; wel wat vroeg maar het is zo heerlijk rustig en mooi in de ochtendschemering dat ik niet klaag. Alle rij-uren voor 7 uur tellen dubbel dus onze rit duurt vandaag slechts 6 uur. Jörgen is de komende week mijn stagebegeleider, daarna rijd ik een week met Mats en tot slot weer een week met Jörgen. Ik word, ondanks het vroege tijdstip enthousiast ontvangen en Jörgen begint meteen met het doornemen van de documenten en de stopplaatsen en -tijden.  Ik ben na station drie het spoor al bijster (wat een leuke woordspeling weer) maar ik vertrouw erop dat Jörgen de weg kent en bijtijds zal roepen wanneer ik links- of rechtsaf moet slaan. Met bibbers in de benen en zweet in de handen neem ik plaats achter de knoppen - dat zijn er best veel - en zet ik, zodra het sein op groen staat de trein in beweging. Binnen 5 minuten sjees ik met 500 passagiers en 200 ton trein achter me door het Zweedse landschap. Er blinkt en plingt van alles op mijn dashboard maar Jörgen lijkt alles onder controle te hebben en meldt even later zonder één keer met zijn ogen te knipperen:"Trek hem maar door naar 180, Patrice". Ik twijfel of hij nu mijn hartslag of mijn bloeddruk bedoelt maar dat is eigenlijk niet van belang want beide zitten daar ruim overheen. En net als ik mijn STH (hoogste snelheid) heb bereikt, steken er twee herten het spoor over. Uitwijken lukt niet, dat zie ik meteen. Het eerste beestje heeft geluk, de tweede zie ik door mijn rechterraampje door de lucht vliegen. Drie punten, zegt Jörgen trots. Maar drie punten is niet genoeg voor vandaag want net bekomen van de schrik vliegt er iets met vleugels tegen de voorruit. Een flinke flash bloed ontneemt me even het zicht maar Jörgen weet de ruitenwissers rap te vinden en al snel treinen we weer voort. Botsing met wild kan ik in ieder geval van mijn bucket list afstrepen.






Omdat remmen ook effe een dingetje is met iets op rails dat 200 ton weegt, moet je, afhankelijk van de snelheid, bijtijds gas terugnemen. Als je dat te snel doet, valt de halve lading passagiers je stuurhut in en aarzel je te lang dan glijd je in volle vaart het station voorbij. Alles met mate en in de juiste dosering dus. Ik merk dat stoppen op het juiste moment wel mijn ding is, ik ben er redelijk goed in. Wel jammer dat Jörgen elke keer moet melden dat er een stationnetje aankomt want ik heb werkelijk geen idee. Verdwalen is een sterk ontwikkeld talent bij mij en ik presteer het rustig om op een recht spoor nog te verdwalen dus wat coaching bij tijd en wijle is wel gepast. Veel te snel zijn we in Hässleholm, 250 kilometer verderop maar na een pauze van een uurtje mag ik het hele stuk weer terugrijden. Zonder verdere ongewilde ontmoetingen met scheppingen van moeder natuur komen we om half 1 weer aan in Kalmar. Dag 1: geslaagd!
Ook de tweede dag vliegt om en volgens schema ben ik nu vier dagen vrij.
Ik boek een treinticket voor Richard zodat hij ook van een lang weekend Kalmar kan genieten. Het weer laat veel te wensen over; het is koud en het stormt maar dat weerhoudt ons niet van een wandeltochtje op Öland. En je voelt hem vast al weer aankomen, dat gaat weer niet helemaal volgens het boekje.


Het zuiden van Öland, een eiland even buiten Kalmar, is één groot natuurreservaat waar we onze wandeling hebben gepland. Volgens mijn bescheiden berekeningen is het tochtje hooguit 8 kilometer. Dat doen wij fluitend met twee vingers in de neus en meenemen van wat drank of een hapje voor onderweg is niet nodig. We zijn zo weer terug.


De eerste drie kilometer gaat over een soort van onverharde weg en we schieten lekker op. Het is weliswaar koud, het waait flink maar de zon doet haar best en laat zich af en toe even zien. Na een half uur gaat de weg over in een karrespoor. Er komen ons wat mensen tegemoet die waarschuwen dat de weg iets verderop onder water staat. "Onbegaanbaar", zegt een hele dikke Zweed met een plaid en een thermoskan in zijn handen. "Niet te doen", zegt zijn vrouw die een kleuter van een jaar of zes in een kinderwagen voortduwt. We trekken de conclusie dat dit blijkbaar geen doorgewinterde wandelaars zijn zoals wij en we lopen stug door. En inderdaad, na 10 minuten gaat de weg over in een flink stromende beek. Niet diep en ook niet breed maar wel nat. We dwalen af en proberen ergens een droog stuk naar de overkant te vinden. Het drassige weiland dringt langzaam mijn sokken binnen maar ik geef niet op. Ik moet en ik zal aan de andere kant komen. Mijn dappere echtgenoot somt de halve medische encyclopedie op met ziektes die je kunt krijgen van natte voeten maar hoe harder hij protesteert, hoe meer hij mij ervan overtuigt dat ik naar de andere kant wil. Tot slot trek ik mijn schoenen en mijn sokken uit, stroop mijn broekspijpen op en waad voorzichtig door het ijskoude water naar de andere kant waar overigens ook geen pad is. Ik zie de twijfel bij mijn arme ega. Ben ik verstandig en ga ik terug en laat ik haar verder in d'r uppie door dat moeras klauteren of laat ik me niet kennen volg ik onwillig maar dapper? Hij kiest voor de laatste optie en trekt ten strijde zonder schoenen en sokken. Eenmaal aan de andere kant is het aantrekken van die sokken en schoenen zonder stoel of krukje ook geen sinecure voor een man van zestig maar uiteindelijk is hij weer gekleed en gaan we verder. We banen ons een weg door prikkelstruiken en dennenbosjes tot we bij een stenen muurtje van pak 'm beet een meter hoog komen. Achter die muur ligt iets wat op een wandelpad lijkt maar op die muur ligt prikkeldraad Ik klim op de muur en met meer geluk dan wijsheid spring ik over het prikkeldraad zonder iets te breken op de grond. Nou ja, het is niet echt op de grond want ik beland met mijn toges in een vuurdoorn. Terwijl ik de prikkels uit mijn dijbeen pluk, klimt Richard op het muurtje. Ook hier weer twijfel want het muurtje is weliswaar niet zo hoog maar als je er bovenop staat is springen makkelijker gezegd dan gedaan. Hij zoekt wat steun bij een boom maar daar is die boom het niet mee eens en nog voor hij kan reageren breekt de tak af en tuimelt hij bovenop me. Geen ernstige verwondingen, we zijn waar we wezen moeten en we slaan de rotzooi van ons af. Nog geen vijftig meter verderop zien we een keurig bruggetje met begeleidend trapje over de muur.





We hebben het koud en krijgen honger. Richard vindt in één van zijn jaszakken een half opgegeten zakje M&M's. Hij wil niet delen. Het is noodrantsoen, zegt ie. Ik dreig met eeuwige verdoemenis en krijg er tenslotte toch twee. We sjokken verder. Ik heb pijn in mijn bovenbeen en bij Richard speelt zijn hielspoor op. Wat een stel!


Na twee uur zijn we eindelijk weer bij de auto en nemen ons voor de elfendertigste keer voor om voortaan niet meer zonder eten en drinken op pad te gaan.

Voor jullie is het slechts afwachten tot een volgende keer als we weer uit wandelen gaan. Wordt vervolgd...



vrijdag 16 maart 2018

Wintersport

Je kan me voor veel uitmaken maar dat ik geen doorzetter zou zijn, daarmee sla je volgens mij de plank volledig mis.
Sinds jaar en dag heb ik een uitgesproken hekel aan sporten, maar omdat mijn vetcellen sneller groeien dan de rest van mijn lichaam weet ik dat er maar één oplossing is om alles enigszins in toom te houden: sporten!
Ik heb al talloze varianten geprobeerd om uit te vinden waar mijn verborgen talenten liggen maar echt aan de oppervlakte willen die nog niet komen. Menig sportschool heb ik al van binnen gezien zonder merkbaar positief resultaat. Ik doe echt mijn best maar shoulderlifts, langdurig planken of moeiteloze situps zitten er nog steeds niet in. Met mijn karige studentenbudget kan ik luxe sporten voorlopig ook wel vergeten maar Zweden is gelukkig het land bij uitstek om te genieten van sporten in de vrije natuur, zowel 's zomers als 's winters.
Hoewel ik  in het gelukkige bezit ben van een paar serieuze klapschaatsen, bind ik die niet snel onder. Flateus vallen heb ik nog steeds niet onder de knie en schaatsen is voor mij onlosmakelijk verbonden met onderuit gaan. En niet één keer,  nee, ik ga zonder mankeren zeven keer onderuit op een baantje van nog geen honderd meter. En is mijn val al bijzonder vermakelijk om  naar te kijken, nog leuker wordt het als ik weer overeind probeer te komen. Dus schaatsen doe ik bij voorkeur 's nachts als iedereen die wel in is voor een potje leedvermaak op één oor ligt.

Elk zichzelf respekterend  boerengehucht in Zweden beschikt over een - in de meeste gevallen electrisch verlicht - langlaufspoor en zo ook Tungelsta. Zelf heb ik geen langlaufski's maar Robin heeft op één of andere vlooienmarkt voor een habbekrats een complete set op de kop weten te tikken die ik wel even mag lenen. De schoenen zijn weliswaar enkele maten te groot maar een dubbel paar sokken doet wonderen. De schoenen zitten nog steeds erg ruim maar ze vallen bij het optillen niet meer van mijn voeten dus ik ben al snel tevreden.

Niet gehinderd door enige ervaring stap ik enthousiast op mijn ski's en glijd opgewekt het bos in op weg naar het langlaufspoor. Het is inmiddels gestopt met zachtjes sneeuwen en ik zie nauwelijks een hand voor ogen maar what-the-hell, this-is-Sweden-man. Het langslaufspoor is niet langer een spoor maar meer een wandelpad voor hondenliefhebbers wat betekent dat ik mijn eigen spoor moet trekken. Ik ben helemaal alleen in het bos dus ik kan ook niet even achter een andere langlaufer aanschuifelen maar enthousiast zet ik het ene been voor het andere. Nou, dat gaat helemaal niet slecht, constateer ik na honderd meter. Het rondje is drie kilometer dus ik bereid me voor op een rondje of drie, vier.

Groot voordeel van langlaufen ten opzichte van schaatsen is dat je twee stokken in je handen hebt die je behoeden voor een onbedoelde valpartij. Dat geldt niet voor mijn stokken. Als ik in een onbewaakt ogenblik mijn evenwicht dreig te verliezen, steek ik reflexmatig mijn stok in de sneeuw om mijn balans te hervinden maar daar trekt die stok zich weinig van aan en voor ik het in de gaten heb, lig ik sneeuw te happen met mijn ski's in spagaat. Zo blij dat ik hier moederziel alleen in dat bos lig want ik heb de eigenaardige gewoonte om meteen om me heen te kijken of iemand me ter aarde heeft zien storten. Schaamte ten voeten uit.
Net als met schaatsen is vallen bij langlaufen een kunst, maar opstaan ook. Ik weet mijn ski's met wat gezwaai naar links en rechts parallel te krijgen en met alle kracht die ik in mijn armen heb weet ik me met hulp van mijn stokken weer op de been te krijgen. Les 1 bij langlaufen: zorg dat je niet valt want dan moet je ook weer overeind komen. En oh ja, zet je ski's dwars bij een heuveltje anders wordt het geheel een onbegonnen zaak.
Ik klop alle sneeuw van me af en hervat mijn langlauftoer. Een meter of driehonderd gaat alles naar wens maar net als ik bedenk dat het op die kleine balansfout van zoëven na best goed gaat, gaat het spoor omhoog. Geen helling van 20% maar wel steil genoeg om mij in de problemen te brengen. Voor elke stap die ik naar voren glijd, glijd ik er twee naar achteren. Visgraatklimmen is iets wat ik ooit geleerd heb tijdens mijn eerste skilessen in mijn kinderjaren en dus stap ik over op die taktiek. Dat gaat wonderbaarlijk goed hoewel het van zowel bovenbenen als schouderpartij behoorlijk wat inspanning vereist. Zonder noemenswaardige tegenslagen bereik ik op de heuvel het spoor weer en hoop op een soepele voortzetting van mijn tochtje. Niets is minder waar want als je een heuveltje opklimt, dan moet je die ook weer af. En om de moeilijkheidsgraad te verhogen heeft men besloten om in het tochtje naar beneden ook een flauwe bocht te maken.
Het is nog steeds stil op het spoor, het sneeuwt gestadig dus wat kan er misgaan? Voorzichtig laat ik me naar voren glijden maar veel eerder dan waarop ik gerekend heb krijgen mijn ski's vaart en suis ik ongecontroleerd de heuvel af. Ik ben zo druk bezig met mezelf overeind houden dat ik het kleine detail 'bochtje' even vergeet en voor ik kan bedenken wat de gevolgen van een kleine misrekening kunnen zijn, klem ik mezelf om een boom. Oké, zo moet het dus niet.
Ik peuter het boomschors uit mijn sjaal en zie tot mijn opluchting dat ik al bijna beneden ben. Probleem opgelost.
Ik houd hardnekkig vol en probeer van het buitenzijn te genieten maar als ik nog een aantal keer tamelijk onelegant met mijn snufferd in de sneeuw beland, is de lol er wel een beetje vanaf. De voorgenomen drie rondjes beperk ik tot één en eenmaal thuis duik ik vlug achter de warme chocolademelk.

Langlaufen is dus ook niet helemaal mijn ding en ik zal op zoek moeten naar een sport met een lager valrisico. Sinds de jaarwisseling proberen Richard en ik elke week een lange afstand te lopen waarbij wij onszelf onderweg mogen trakteren op alles wat slecht is voor een mens. En raad eens wat, ik ben nog niet één keer gevallen!




zondag 18 februari 2018

Op een klein stationnetje...

Een lied vol leugens weet ik nu. Alleen de titel al. Een stationnetje bestaat in de railwaywereld helemaal niet. Met een beetje geluk zit er een tkl (tågklarerare/treinleider)) en dan zou de titel moeten zijn: op een kleine driftplats...of eigenlijk meer op een kleine hallställe...(want in de regel is een drifplats niet klein maar groot).  Zit er geen tkl dan luidt de titel: op een kleine hållplats. Of linjeplats als er sprake is van een wissel of beweegbaar brugdeel. En in dat hele lied wordt geen woord gerept over het pneumatische remsysteem dat in werking moet worden gezet wanneer de trein vertrekt. Het rempercentage, het dynamische gewicht van de locomotief, het instellen van de remdruk, niets hoor je erover. Wat spellen  we die arme kleuters toch allemaal op de mouw!

Twee weken heb ik inmiddels achter de rug en een vat vol verhalen. Iedereen - mezelf incluis - drijft al jaren de spot met de Nederlandse Spoorwegen als de blaadjes weer gaan vallen en sprinters en hondekoppen over vallend blad uitglijden. Ik weet inmiddels beter. De frictie tussen rails en wiel is bij natte bladeren zo groot dat wielen tijdens een enkele rit zodanig kunnen 'platten' dat ze bij een volgende rit de rails kapot kunnen slaan waardoor de trein erachter ontspoort. Sta je niet bij stil hè als je je enkeltje Leiden - Woerden koopt en de halve hel bij elkaar moppert als de trein te laat is waardoor je het begin van Goede Tijden mist. Maar neem van mij aan, je kunt beter het begin van Goede Tijden missen dan in een trein met platte wielen te stappen.

We zijn een klas met 30 leerlingen in de leeftijd 20 - 53 jaar. Ik ben niet degene van 20 zullen we maar zeggen. Maar ik ben toch trots op mijn bovenkamer en de rest van dit logge lijf want er waren uiteindelijk 457 aanmeldingen voor die 30 plaatsen waarvan er 50 aanmeldningen alle tests hebben doorstaan. De 30 personen met de hoogste resultaten hebben uiteindelijk een plaats gekregen. Dus een kans van 6% om te mogen worden opgeleid tot machinist en ik hoor erbij.

Toch zitten er in die klas wat paradijsvogels.
Zo hebben we Marcus, een treinenfanaat in hart en nieren. Als je naar de serie The Big Bang op tv kijkt dan doet hij sterk denken aan Sheldon qua gedrag. Als de leraar een plaatje van een goederentrein laat zien mompelt hij zachtjes maar net hard genoeg dat iedereen het kan horen: "een Rc2 lok, 80 ton brutogewicht, 87 ton remgewicht, eerste model september 1987, hoogste snelheid 180 km per uur". En omdat hij stottert blijft hij ook nog wel eens hangen in het gewicht of de snelheid.
Als er gevraagd wordt wat twee witte lampen diagonaal betekenen en het antwoord is: rij stapvoets want de wissels kunnen verkeerd staan dan roept hij luid en duidelijk door de klas:"of beter gezegd, snelheid stapvoets voor treinverkeer op het rangeerterrein wat inhoudt 10 km/uur, de baan is niet hindervrij, de wissels zijn niet vastgezet, houd kontakt met de tkl". Dat is de eerste dagen nog leuk maar een groot deel van de klas is inmiddels in de irritatiefase belandt. En we hebben nog 50 weken te gaan.

Dan hebben we Magdalena. Magdalena loopt dik richting de 50 gok ik maar het is moeilijk in te schatten hoe oud ze is want ze is make up vrij, breit haar eigen truien, heeft twee kinderen waarvan er één ADHD heeft en de ander hoogbegaafd is, ze eet macro-idiotisch en komt alle dagen steevast een half uur te laat ongeacht hoe laat we beginnen omdat ze haar zoon in de taxi moet zetten. Als ze eenmaal binnen is, gaan de schoenen uit en gaat ze in yogazit zitten breien. En bij elke vraag die ze stelt begint ze haar zin met:"Dus als ik het goed begrijp...." waarna eigenlijk altijd blijkt dat ze het niet helemaal goed begrepen heeft.

Verder hebben we Alhadji. Alhadji is een jaren 90 product, aldus één van de leraren. En die kan het weten want zijn zusje is van dezelfde generatie. Alhadji is metrobestuurder maar volgens eigen zeggen toe aan een hogere snelheid. Alhadji zit niet op een stoel, hij hangt. En hij hangt soms zelfs zoveel dat hij bij hoge concentratie zomaar van zijn stoel valt. Dan moeten wij lachen want dat ziet er dom uit.
Alhadji is ook van de telefoongeneratie. Dus als hij wil weten hoe laat het is, dan kijkt hij op zijn telefoon. Als hij het remgewicht moet uitrekenen, dan kijkt hij op zijn telefoon. Als hij zijn opgaven moet maken, dan kijkt hij op zijn telefoon. En als hij naar huis wil, dan kijkt hij heel lang en heel indringend op zijn telefoon. En daar begint hij vaak al rond de klok van twee mee. De leraar heeft hem geadviseerd een horloge te kopen zodat hij niet te laat komt bij zijn dienst als de batterij van zijn telefoon leeg is. Maar dat gebeurt niet, aldus Alhadji, want hij is van de telefoongeneratie. Die hebben altijd genoeg batterij in hun telefoon. Hij is verder wel aardig.

Zoals gezegd zijn we nu twee weken bezig en het eerste tentamen hebben we al achter de rug. Ik ben zelf erg onder de indruk van wat ik in die twee weken geleerd heb. We zijn ingewijd in de treinenvaktaal, we weten hoe een trein vaart mindert (een trein remt niet, een trein mindert vaart), we kunnen het hele pneumatische remsysteem tot in detail uitleggen, we weten wat er bij het bouwen van een treintraject komt kijken en hoe de baan wordt opgebouwd, we weten wat de verschillende seinen en borden betekenen, we kunnen uitrekenen welke trein hoe hard mag rijden en hoe lang de remweg dan is (een personentrein met een snelheid van 200 km/uur heeft een remweg van bijna twee kilometer, remt hij niet maar rijdt hij uit dan duurt het 40 km voor hij stilstaat). En tot slot hebben we reuzezin om verder te gaan met onze studie.