Wij wonen in een voorstad van Stockholm. Of
eigenlijk is het meer een voordorp want in het gehucht waar wij wonen staan
hooguit 40 huizen en een bestemmingsplan is er niet. De gemeenschappelijke
hobby is watersport of paardrijden, het gros is tweeverdiener en de rest is
gepensioneerd en maait drie keer per week het gras. Wij hebben in dit stukje
Stockholm gemiddeld 2,1 kinderen waarbij onze buren met 6 kinderen het
gemiddelde omhoog brengen maar waar wij zonder kinderen onder de 18 datzelfde
gemiddelde vervolgens weer lekker naar beneden trekken. Iedereen heeft tenminste
één auto – de meesten uiteraard een Volvo – en niemand heeft een uitkering want
met een uitkering kun je de stulpjes waarin wij wonen eenvoudigweg niet
betalen. Kortom, als de hond van de buren drie keer blaft, wordt er wekenlang
over gepraat want hier gebeurt weinig. Brave burgers met een laag crimineel gehalte. Aan de andere kant van het spoor is een
landweggetje waarlangs in de jaren tachtig een woonwijkje met woonerf is
gebouwd en in dit stukje Stockholm trek ik regelmatig mijn rondjes. Zo ook
vorige week.
Het is lekker weer, een jas is nog niet nodig en
aan het eind van een intensieve werkdag hijs ik me enthousiast in mijn runnersoutfit.
Horloge om voor de broodnodige informatie over mijn hartslag en telefoon om
voor de muzikale afleiding. Blik op oneindig en gaan met die banaan. Na vijf
kilometer joggen kom ik op het landweggetje aan de andere kant van het spoor en
komt een scoorter met daarop twee jongen mij tegemoet gereden. Ik besteed er
geen aandacht aan want er rijdt wel vaker een scooter met opgeschoten
pukkelpubers op een landweggetje. Ieder zijn meug, nietwaar?
De jongens draaien aan het eind van de weg en
komen mij vervolgens achterop rijden. Bij het passeren kijken ze zo
doordringend naar me dat ik me afvraag of ik wellicht een gat in mijn
supersportieve renpants heb. Of ben ik zoëven iets te enthousiast de badkamer
uitgerend en sleep ik nu vijfentwintig meter wc-papier achter me aan? Ik bekijk
mezelf al rennend eens met kritische ogen maar ik zie niets wat het daglicht
niet kan en ook niet wil verdragen. Als de jongens nogmaals keren en me nu heel
langszaam tegemoet komen word ik achterdochtig. De leeftijd dat jongens met een
overmaat aan testosteron uit zijn op mijn goddelijke lichaam ben ik al lang
gepasseerd dus neem ik aan dat ze geïntresseerd zijn in de techniek die ik bij
me draag, of beter gezegd in mijn smartsphone die met klittenband op mijn arm
geplakt zit. Ze minderen snelheid maar als ze vlakbij zijn komt er een auto aan
en geven ze gas. Ze rijden me voorbij, draaien aan het eind van de weg en komen
me weer achterop.
Mijn hartslag schiet nu aardig de hoogte in en dat komt niet alleen
omdat ik er aardig de vaart in heb. Op het moment dat ze voor mij willen
stoppen rijdt er een bestelbusje van de werkplaats weg waar ik op dat moment
ben en waar ik – heel vriendelijk – voorrang van krijg.
De heren op de scooter
zitten blijkbaar niet te wachten op een getuige in een bestelbusje en rijden
vervolgens weer weg. Als er in de wijde omtrek geen levende ziel meer te
bekennen is, lijkt de tijd rijp om nu eindelijk eens toe te slaan. Ik ben
inmiddels tot het uiterste gespannen en loop in een tempo dat ik op een
doordeweekse zaterdag nooit zal halen maar dat weerhoudt mijn gehelmde belagers
er niet van om me opnieuw te benaderen.
Ik laat er even een korte risicoanalyse op los. Ik ren op de stoep, zij rijden op de weg. De stoep
oprijden met twee uit de kluiten gewassen snotneuzen op een brommertje zal niet
één, twee, drie lukken, dat heb ik al bedacht. Conclusie: blijf zo ver mogelijk bij de stoeprand vandaan.
Het addergebroed stopt langs de stoep en
de bestuurder roept iets naar me en wenkt wat ik vrij vertaal als: kom even
dichterbij want ik wil graag die Samsung S5 van je arm afrukken maar ik kan er
niet bij. Ik neem aan dat ze niet naar de weg zullen vragen en waarschijnlijk willen
ze ook niet weten hoe laat het is en dus ren ik door, zover mogelijk naar links
waar een geluidscherm staat. Het gespuis roept nogmaals maar aangezien hij zijn
beschermkap van zijn helm naar beneden heeft, wat het opstellen van een
daderprofiel na een overval overigens niet vergemakkelijkt, hoor ik niet wat hij zegt. En eigenlijk
interesseert het me ook weinig. Het enige dat ik wil is veilig bij de rotonde
komen, een kleine 200 meter verderop waar wat meer verkeer is. Ik ren of de
duivel me op de hielen zit en vraag me stilletjes af bij welke snelheid
Runkeeper me gaat melden dat valsspelen niet is toegestaan.
Ik kijk schuin achterom om te zien waar mijn
belagers blijven maar die hebben inmiddels na een korte kansberekening besloten
dit kapitaaltje te laten lopen aangezien de rotonde letterlijk op loopafstand
ligt. Volledig buiten adem kom ik boven bij de rotonde aan en pas dan word ik
boos. Heel boos. Waar haalt iemand het recht vandaan mij zo de stuipen op het
lijf te jagen? Waarom denkt tuig dat het moreel verantwoord is om eerlijke
burgers te mogen beroven van spullen waar ik heel hard voor heb moeten werken?
Realiseert dit gajes dat ik, elke keer als ik daar nu loop, schichtig om me
heen kijk en niemand meer vertrouw, helemaal niemand.
Ik verafschuw hun ouders
die er klaarblijkelijk niet in geslaagd zijn om eerbare burgers aan de
maatschappij af te leveren maar hebben bijgedragen aan het nog onveiliger maken
van een stukje van de wereld. En verdrietig word ik van het feit dat ik
ontsnapt ben aan de grijpgrage poten van deze twee mislukte embryo’s maar dat er veel slachtoffers voor mij en ongetwijfeld
ook na mij minder mazzel zullen hebben.
Ik ben tegen de doodstraf, ongeacht wat
iemand op zijn kerfstok heeft maar wat is er mis met twintig jaar op water en
brood in een cel van twee vierkante meter? Onder de grond? Bij min zes? Niks toch?

